Elsie

Een boek kan aan betekenis verliezen door een achteloze opmerking van de schrijver van dat boek. Dat de interpretatie van die achteloze opmerking zeer persoonlijk is, ligt voor de hand. Ik wil, en ik weet ook niet waarom, of het moet zijn dat ik worstel met teksten, dat schrijven a hel of a job is. Als een schrijver achteloos opmerkt dat hij een boek, dat ik met bewondering heb gelezen, in exact 90 dagen geschreven heeft, is voor mij de romantiek eraf en daalt mijn waardering voor dat boek. Ja, beetje belachelijk eigenlijk. Maar goed, onlangs zag ik Jeanette Winterson op een stormachtige vrijdagavond. De wind joeg langs de ramen van de oude Lutherse kerk aan het Spui waar de trams met ijzeren regelmaat voorbij jengelden. Binnen was het cosy and warm. Winterson stond klein en felbesnaard onder het spreekgestoelte, de kerk was vol. Ze was het wel gewend, zei ze, kerkpubliek als gehoor.

Als lagere schoolkind schreef ze al gepassioneerde diensten waarmee ze zelfs zieltjes won. Nu sprak ze van anarchie en van perfect days (even daarvoor had Lou Reeds Perfect day door de kerk geklonken). Ze sprak van moeders, echte en aangenomen en hoe ze in haar debuutroman, Sinaasappelen zijn niet de enige vruchten, Elsie erin had geschreven omdat ze iemand naast zich wilde. Ze liet het zich achteloos ontvallen. Haar woorden reikten, even achteloos, tot achterin de aula, waar ik met mijn rug tegen de muur zat. Zo simpel kan een verhaal dus aan inhoud winnen. Winterson bracht Elsie als een noodzakelijke aanwezigheid.  Ze had Elsie erin geschreven ‘because I needed some one next to me’. Alsof ze, schrijvende aan haar werktafel, om zich heen had gekeken, Elsie zag aankomen en haar mee nam haar verhaal in. Als een hand die je zoekt om steun te vinden wanneer je afdaalt in een duistere kelder. Een hand om in te knijpen als het leven pijn doet. Ze had een Elsie nodig opdat ze als schrijver haar kon laten zeggen ‘dat verhalen je hielpen om de wereld te begrijpen’.

En om de sinaasappelen – het enige fruit dus dat haar moeder haar liet bezorgen toen de Jeanette uit het boek in het ziekenhuis lag – te delen met haar. Om met Elsie van de sinaasappelschillen een iglo te bouwen op de dekens van het ziekenhuisbed. Zonder Elsie zou het kind Jeanette in het boek in zichzelf opgesloten zijn gebleven. Doordat ‘because I needed some one next to me’ zag ik de kwetsbaarheid van een schrijver die aan alle kanten uitstraalde ‘ik heb niemand nodig’. Later werd ze geïnterviewd maar ze verdroeg de vragen niet. Ze kapte af, zei dat het genoeg was, de interviewster fronste haar wenkbrauwen.  De schrijver had al zoveel gezegd het moest maar eens klaar zijn. Het was confronterend maar ze miste een Elsie naast zich. En ach, missen we niet allemaal een Elsie die ons vorm en volume geeft?

 

 

Het graan, de republiek en het geld


‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was. De mensen hier waren arm, straat- en straatarm. En weet u hoe dat voelt?’

Hij verwacht geen antwoord en gaat zitten op een bankje bij de Reiderhoeve, een informatiecentrum over dit gebied. Over de Dollard, de Wadden en de polders die een hoofdrol spelen in het boek van Frank Westerman. Hij draagt een schort, niet dat van een kok maar meer van iemand die vuil werk doet. Hij vertelt dat elke strook land die aanslibde voor de eigenaar was. ‘Rijkdom verkreeg je per opstrekkende meter, meneer, en dat waren heel wat meters.’ Hij glimlacht en overdenkt wat hij net gezegd heeft.

‘Het is niet zo mooi als het lijkt, meneer. De herenboeren, vaak hoogopgeleid, bij een aantal van hen heeft de klei nooit onder hun nagels gezeten, die dronken thee met hun pink in de hoogte en lieten huizen bouwen waar nu nog iedereen zich aan vergaapt.

Schoonheid, noemen we dat. Maar wat mooi is, is misleidend. Dat zei ik al, geloof ik. En dan gingen een aantal herenboeren in het geniep op cursus en vervreemdden zich van waar ze vandaan kwamen. En weet u wat de stad was waar ze naartoe gingen om bij te leren? Moskou meneer, op vijfjaren-plannen-les, ja zo heette dat, bij Stalin gingen ze op les. Dat vinden we nu toch lichtelijk krankzinnig.’ De man veegt met de buitenkant van zijn hand zijn snor af.

Ik moet denken aan een scène uit De graanrepubliek waarin Frank Westerman op bezoek gaat bij een zekere Koert. In 1970 werd die de eerste CPN-gedeputeerde in de provincie Groningen. Westerman staat voor zijn boekenkast. ‘Zoek je Das Kapital?’ vraag Koert. ‘Dat heb ik in het Duits. Het is mijn bijbel.’
De man lijkt na te denken. Ik vertel hem dat ik onder de indruk ben van de lage horizonnen, de hoge luchten en de boomgroepen rond de hoeven. ‘U zei bomen, meneer? Elke boom moest weg. Ja echt, elke boom. Alleen die een praktisch nut hadden bleven staan. Wel handig bij dikke mist, je wist dat bij de derde boom jouw land begon.’

We praten over de visserij. Dat wat hier nog aan visstand was door de aanleg van de Afsluitdijk in de war gegooid werd. ‘Niets dan armoede. Elke dag maar duwen tegen de slikslee om de vangst uit de netten te halen.’ De opkomst van Delfzijl werd de redding, veel mensen kregen een vaste baan. ‘Maar toen kwam de crisis, meneer. Fabrieken moesten sluiten, de werkloosheid spoot omhoog.’

Onverwacht staat hij op. Met een armgebaar relativeert hij alles wat hij zonet gezegd heeft, lijkt het. Hij recht zijn rug. ‘Ja het is een mooi boek, meneer, een mooi boek.’ Hij wijst naar boven, daar is een uitkijkpost op het dak van het informatiecentrum. ‘Daarbinnen is een trap,’ zegt hij terwijl hij zijn handen aan zijn schort afveegt. ‘Daar kunt u rondkijken over het landschap, over die enorme ruimte. Het waait nu lekker, dan wuift het graan. Iets mooiers vind je niet.’

 


Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

 

foto’s: Anneke van Kroonenburg

 

 

Kazuo Ishiguro volgt Bob Dylan op als laureaat Nobelprijs voor Literatuur

Hij speelt gitaar en hij schrijft liedjes, dus: ‘Roll over Bob Dylan’. Dat zei Salman Rushdie eerder vandaag toen hij zich blij en verheugd toonde over de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan zijn goede vriend Kazuo Ishiguro. Hij zei nog meer, maar deze misschien voor meer maar eigenlijk maar voor één uitleg vatbare verwijzing naar de vorige laureaat viel op. Want de uitverkiezing van Dylan vorig jaar viel niet overal in goede aarde, en de wijze waarop de singer/songwriter omging met de literaire eer die hem bewezen werd al helemaal niet.
De Nobelprijs voor Literatuur was na vorig jaar toe aan een onomstreden laureaat, en kreeg die in de Brits-Japanse schrijver Kazuo Ishiguro. Ishiguro, bij het grote publiek vooral bekend door The Remains of the Day – al zullen veel mensen die genoten van de film niet weten dat hij de schrijver van de verfilmde roman is – gold niet als favoriet. Hij stond zelfs niet op de lijstjes van de bookmakers.

Tot het moment waarop Kazuo Ishiguro (1954) zijn prijs krijgt, is het Nobelprijscomité uiterst terughoudend in het onderbouwen van zijn keuze. In de persverklaring die onmiddellijk na de bekendmaking van de toekenning naar buiten werd gebracht staat alleen dat de Nobelprijs voor Literatuur is toegekend aan Ishiguro, ‘who, in novels of great emotional force, has uncovered the abyss beneath our illusory sense of connection with the world’.
Gebruikelijk is wel dat Sara Danius, secretaris van de Svenska Akademien, mondeling terugkomt op de uitverkiezing. Ten overstaan van de aanwezige journalisten typeerde zij het werk van de laureaat: I would say: if you mix Jane Austen and Franz Kafka, then you have Kazuo Ishiguro in a nutshell. But we have to add a little bit of Marcel Proust into the mix and then you stir but not too much and then you have his writings (…)’. Waarna ze inging op het belang van de laureaat en zijn werk: ‘He’s a writer of great integrity. He doesn’t look to the side, he’s developed an aesthetic universe all his own.’

Het oeuvre van Kazuo Ishiguro is niet uitzonderlijk omvangrijk. Hij schreef acht romans, en daarnaast korte verhalen en filmscripts. Zijn werk is nauwelijks onder een noemer te vangen. Schurkte hij in The Remains of the Day (1989) aan tegen het historische, zijn meest recente roman The Buried Giant (2015) is fantasy. Als er al een constante is, dan zijn dat zijn personages die hij geen moment rust gunt. Zij moeten voortdurend iets, zijn fysiek en mentaal altijd in beweging.

Ishiguro zelf heeft inmiddels laten weten uitzonderlijk vereerd te zijn met de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur, vooral omdat hij met deze prijs in de voetsporen treedt van schrijvers die hij tot de groten rekent. In een breder perspectief hoopt de schrijver dat de Nobelprijzen in de onzekere omstandigheden waarin de wereld verkeert een positieve doorbraak kunnen forceren. I’ll be deeply moved if I could in some way be part of some sort of climate this year in contributing to some sort of positive atmosphere at a very uncertain time.’

 

Op drift geraakt

Je zou kunnen zeggen dat de tweede roman van Sanneke van Hassel gaat over ‘boze Nederlanders’, of zoals Sybrand Buma ze onlangs herdoopte ‘gewone Nederlanders’, en een personage dat daar lijnrecht tegenover staat. In Stille grond zet Sanneke van Hassel haar personages in om twee parallelle werelden uit te werken die elkaar niet of nauwelijks raken en mensen ten tonele te voeren die naast of langs elkaar leven.
Landa en Leon vormen samen met hun pasgeboren dochtertje Cato de ene verhaallijn,  Johannes en een dakloze vrouw die hem uit het lood slaat de tweede.
‘Gewone’ flatbewoners in Rotterdam aan de ene kant en een man die in de opvang er tegenover werkt aan de andere kant. De verbindende schakel tussen beide werelden is de daklozen- en verslaafdenopvang Smallenburg met de bijbehorende volkstuin pal tegenover de goud gespoten flat waar het jonge gezin woont. Voor die volkstuin is Johannes verantwoordelijk.
Op de plaats van de volkstuin had een plantsoentje moeten komen en dat dit niet zo is, zit Landa dwars; het moet en zal er koste wat kost komen. Als tegenwicht tegen alle ellende voor de deur.

Landa en Johannes
‘Het gaat niet goed in dit land, en hier is dat al jaren te zien (…). De mensen zijn op drift, ze zorgen niet meer voor elkaar en al helemaal niet voor de plek waar ze wonen’ meent Landa. Johannes heeft een andere kijk op de zaak, en op de wereld. Al jong vroeg hij zich af waarom mensen ‘elkaar links laten liggen en zelden een ander oprapen.’ Hij kiest ervoor om ‘niet tegen de politiek of het systeem te strijden’, maar om mensen te eten te geven, ze te helpen met hun papieren, en een bed voor ze zoeken. Ook als hij door Wouters, zijn leidinggevende, namens Smallenburg naar vergaderingen gestuurd wordt, blijft hij zijn eigen uitgangspunten trouw.

Tegenover het goed uitgewerkte karakter van tobber Landa staat Johannes, die qua karakter een minder sterke ontwikkeling doormaakt en een gelijkmoedige en zachtmoedige, christelijk opgevoede liefhebber van de motetten van Bach blijft. Hij is in staat ‘de menselijke ellende in toom’ te houden en te overstijgen, hoewel een dakloze vrouw hem het hoofd op hol brengt.
Leon, Landa’s echtgenoot, is een realist. Als hij hoort dat zijn vrouw contact heeft gehad met Jos de Palm van de Volkspartij (gebaseerd op Leefbaar Rotterdam) over ‘het zooitje aan de overkant’, vindt hij dat ze haar tijd beter aan het zoeken naar werk had kunnen besteden. De Palm is overigens een karakter dat als seksistische Bourgondiër wat karikaturaal is uitgewerkt. Landa trekt het contact met De Palm en de Volkspartij zelfs nog wat aan, en gaat mondjesmaat zoeken naar werk. Thuis hebben ze inmiddels een oppas, dus dan gaat dit allemaal wat makkelijker. Toch weet ze niet helemaal wat ze van de Volkspartij moet denken, omdat ze ook weet dat De Palm op de dure grond wil bouwen. Maar van denken komt doen en tegelijk ook, zonder al te grote gevolgen overigens, laten … Een kleine, geestig en beeldend beschreven scène in de roman.

Het boek, dat in een prettige, heldere stijl is geschreven, legt het huidige tijdsgewricht genadeloos bloot. De vraag is wie op drift zijn: daklozen en verslaafden – of verder doorgeredeneerd asielzoekers – of de gegoede middenklasse.
Het verhaal zelf is klein en overzichtelijk gehouden. Er zijn maar een paar personages, elk met zijn/haar eigen vocabulaire. De roman geeft ook onderhuidse kritiek op de al evenzeer op drift geraakte politiek. De ‘gewone burger’ weet de weg naar een politieke partij als de Volkspartij wel te vinden en wordt daar juichend binnengehaald. De daar overheersende vriendjespolitiek wordt overtuigend beschreven. Alles is raak geobserveerd en zorgvuldig genoteerd. Sanneke van Hassel is niet alleen als schrijfster van verhalen maar ook als auteur van romans iemand om te blijven volgen.

 

 

Interview met Jef Elbers, vertaler van De ontscheping van Jean Raspail

 

Hoe politiek incorrect dit boek naar vele maatstaven ook is, alle ideeën, visies en meningen van de denkende westerse mens zijn erin vervat, al worden ze door het ontstellende verhaal van de naderende vloot wat ondergesneeuwd. Het is de vraag of het terecht is dat Raspail in de hoek van racisme en rechts-extremisme wordt geplaatst. De schrijver bereisde zijn leven lang alle continenten en bezocht veel exotische volken waarover hij met sympathie schreef. Hij is een verdediger van hun culturen en talen. In De ontscheping gaat het voor de goede verstaander dan ook niet zozeer over een botsing van culturen; vooral de verdeling van de welvaart is het fundament van de verschillen tussen de haves and have-nots.’

aldus Anky Mulders in haar recensie over De ontscheping

Overval op de westerse mens

‘Wat voor mij gewoon de vaststelling was dat rassen met elkaar onverenigbaar zijn wanneer ze eenzelfde leefomgeving delen, werd door de meesten van mijn tijdgenoten direct beschouwd als een aansporing tot haat en een misdaad tegen de menselijke waardigheid.’

Dat schrijft Jean Raspail in zijn roman De ontscheping (Le Camp des Saints*) uit 1973 waarin de westerse blanke wereld zijn ondergang tegemoet gaat doordat goedbedoelende mensen hun soortgenoten uit ontwikkelingslanden voortdurend willen helpen – de mensen, niet de landen. Deze dienstbaarheid komt voort uit schuldgevoel over de westerse welvaart en de grondslag daarvan: de vroegere koloniale overheersing en de onderwerping en niet zelden uitbuiting van volkeren. Meteen na verschijnen van Le Camp des Saints werd Raspail racisme verweten. Maar in zijn boek is de westerse wereld een beschaving die verdedigd mag worden, al ziet Raspail dat niet gebeuren: ‘Op deze wereld, die ten prooi is aan geestverzwakking, zijn sommige zeer intelligente mensen, zonder dat ze daartoe gedwongen worden, altijd koortsachtig in de weer – of dat nu opbouwend dan wel destructief is.’ Ze kiezen de vlucht naar voren en sluiten hun geestelijke vluchtwegen af, zegt Raspail, met als gevolg: ‘De wereld lijkt wel onderworpen, niet aan één welbepaalde orkestleider, maar aan een nieuw apocalyptisch Beest, een soort alomtegenwoordig monster dat zich als eerste doel heeft gesteld: de vernietiging van het Westen.’

Land van melk en honing
Wat gebeurt er? In De ontscheping laat Raspail een vloot van zo’n honderd nauwelijks zeewaardige schepen vanuit India regelrecht koers zetten naar ‘het paradijs, het land van melk en honing’. Dit paradijs is Frankrijk, door Raspail gekozen als metafoor voor het Westen. Aan boord van de schepen bevinden zich een kleine miljoen Indiërs, armen en paria’s, vertrokken uit Calcutta en andere Indiase havens. De kapiteins gehoorzamen een uit de Apocalyps citerende ‘coprofaag’ (= een uitwerpseleneter) die zich behalve door de Apocalyps ook laat aansturen door een misvormd kind dat hij op zijn schouders draagt.

Tijdens de reis zitten de opvarenden vredelievend op elkaar gepakt te wachten tot ze het paradijs kunnen binnenstromen, ook al is er op de schepen al snel aan alles gebrek, inclusief hygiëne. Onderweg besluiten de coprofaag en zijn kind om de hulp van westerse landen – die inmiddels hebben begrepen wat er gaande is en schepen en vliegtuigen met voorraden sturen – te weigeren, want het doel is enkel en alleen de Franse zuidkust. In niet mis te verstane woorden beschrijft Raspail de vloot: ‘En zo voer naar het Westen een vloot stront en ontaarde zinnelijkheid, maar ook vol verwachting: de armada van de laatste hoop.’ De schepelingen zijn weerloos, meelijwekkend en ongewapend, waardoor politici, ambtenaren, kerkleiders, medialeiders en andere goedwillende cultuurrelativisten – de intelligente mensen waar Raspail op doelt – tegen elkaar te hoop lopen om de armen uit de Gangesdelta te verwelkomen.

Anarchie
Weinigen zien daarin een gevaar. Na de eerste schrik maken de Fransen zich op als gastland terwijl de rest van Europa toekijkt, zo’n beetje als nu Italië versus de rest van Europa. Zodra duidelijk wordt dat deze armada het op Zuid-Frankrijk heeft voorzien, vlucht de bevolking van de Méditerranée naar het noorden, terwijl hulpverleners, studenten, losgebroken gevangenen, arbeiders en anarchisten naar het zuiden gaan om de nieuwkomers de helpende hand te bieden dan wel zich genotvol in de chaos te storten. Het leger wordt ingezet om de orde te handhaven en om de vele aan de kust aangespoelde lijken die vanuit de schepen overboord zijn gegooid te verbranden. Dat is veel militairen te gortig. Ze deserteren en in de wanorde zijn slechts enkelen plus een generaal bereid vanuit het huis van professor de Galguès, die op de eerste pagina’s van het boek de vloot ziet arriveren, het land te verdedigen. Totdat ook zij in de invasie ten onder gaan.

Verdediger van exotische volken
Hoe politiek incorrect dit boek naar vele maatstaven ook is, alle ideeën, visies en meningen van de denkende westerse mens zijn erin vervat, al worden ze door het ontstellende verhaal van de naderende vloot wat ondergesneeuwd. Het is de vraag of het terecht is dat Raspail in de hoek van racisme en rechts-extremisme wordt geplaatst. De schrijver bereisde zijn leven lang alle continenten en bezocht veel exotische volken waarover hij met sympathie schreef. Hij is een verdediger van hun culturen en talen. In De ontscheping gaat het voor de goede verstaander dan ook niet zozeer over een botsing van culturen; vooral de verdeling van de welvaart is het fundament van de verschillen tussen de haves and have-nots. Raspail laat een radiopresentator opmerken: ‘Wanneer op onze gezamenlijke wereld men op nauwelijks vijf uur vliegen een mensensoort aantreft van wie het jaarinkomen de vijftig dollar niet overschrijdt en een andere soort van wie hetzelfde inkomen vijftien- of twintigduizend dollar bereikt, zal men mij niet wijsmaken dat hier geen sprake is van een uitgebuite kansarme tegenover een uitbuiter.’

Wel of niet voorstelbaar?
Gezien de massa-immigratie die Europa momenteel het hoofd moet bieden wordt Raspail vandaag de dag behalve rechts-extremisme een profetische blik toegeschreven. In 1973 koos hij bewust niet voor fictieve migranten uit moslimlanden maar uit India, omdat Frankrijk op dat moment te kampen had met naar het land komende Algerijnen en hij geen vooroordelen wilde bevorderen.

De ontscheping is een uniek en verbijsterend boek omdat het tegelijkertijd niet en wel voorstelbaar is dat de witte westerse wereld door mensen uit ontwikkelings- en onvrije landen overlopen wordt. Gezien de huidige migratiestromen richting Europa is het best denkbaar. Maar het alom geldende witte superioriteitsgevoel, gevoed door vrijheid en democratie, zegt dat het nooit kan gebeuren. Raspail zelf zei in een interview enkele jaren geleden zich te kunnen voorstellen dat het vermengen van rassen goed kan gaan. Daarmee biedt hij na zijn dreigende De ontscheping toch een optimistische blik.

 

* In De ontscheping uit 2016 zijn in de vertaling van Jef Elbers onder redactie van Boudewijn van Houten veel fouten en slordigheden blijven staan. Le Camp des Saints is in 2015 ook verschenen bij uitgeverij Egmont, onder de titel Het legerkamp der heiligen, eveneens in een vertaling van Jef Elbers.

 

 

Een stom gedicht

Het was in de Renaissance een van de meest geliefde bezigheden van Leonardo da Vinci en Michelangelo: een partijtje artistiek worstelen om te bepalen welke kunstvorm het belangrijkst was. Schilderkunst, beeldhouwkunst, of toch de poëzie? Waarbij de laatste geen hoge oogen gooide, ondanks de vaak geciteerde Simonides, die poëzie een sprekend schilderij en een schilderij een stom gedicht noemde. Maar dit kon niet voorkomen dat de poëzie het aflegde tegen de beeldende kunsten. Zoals bij Leonardo, die de schilderkunst de ‘moeilijkste wetenschap’ noemde, ‘die met de meeste waarachtigheid de werken der natuur kon weergeven’.
Ik moest aan deze wedijver tussen de verschillende disciplines in de kunsten denken, toen ik tijdens beeldhouwles aan een nieuw project begon. Het zou nu eens niet de zoveelste vrouwenfiguur worden, maar een kudde nijlpaarden in het water. Ik had zo’n  in brons gegoten kudde in de etalage van een kunstgalerie zien staan en was meteen verkocht.

Nu valt het ‘waarachtig weergeven van de natuur’ in de praktijk tegen. Althans in mijn geval. Zelfs een prachtige foto van een kudde badende nijlpaarden van Frans Lanting als inspiratiebron mocht niet baten. Ik kon de klei maar moeizaam in het keurslijf dwingen dat ik voor ogen had. Mijn gedachten dreven regelmatig af en ik begon mezelf af te vragen waarom in de beeldende kunst de natuur zo opgehemeld wordt en in de geschreven kunst niet. Want laten we wel wezen, waar in de beeldende kunst de natuur de hoofdrol kan opeisen, is dat in de literatuur haast nooit het geval. De IJsbeer van François Pompon of De bedreigde zwaan van Jan Asselijn kent in de literatuur geen evenknie. Natuurlijk komt ook in boeken natuur voor, maar altijd in een bijrol, als achtergrond voor het verhaal van deze of gene mens. Ja, zelfs als je denkt dat in een boek natuur de hoofdrol speelt, zoals in Waterschip Down van Richard Adams, Animal Farm van George Orwell of Barkskins van Annie Proulx, blijkt die literaire natuur vaak niet meer dan een vrijbrief om het toch weer over de mens te hebben, in al zijn onhebbelijkheden.

Nee, in literatuur is de natuur altijd bijzaak, dus waarom zou ik me daar zo druk om maken? Kon ik toch niet beter weer een menselijke figuur gaan maken? Terwijl ik aan het einde van de les mijn eerste poging nog eens goed bekeek begon ik een beetje mee te voelen met Simonides. Mijn eerste beeldhouwpoging van een kudde nijlpaarden was niet verder gekomen dan een stom gedicht. Maar ik geef het nog niet op. Want de waarachtigheid in de natuur wil ik blijven zoeken. Volgende week is er weer een les. Eens kijken of ik dan wat poëzie uit de klei kan halen.

 

 

 

‘De korst van het denken lospeuteren’

Behalve de titel lijkt alles er uiterlijk op te wijzen dat de peer en ander proza, een dun boekje met veel witruimte, een poëziebundel is. En toch is er nadrukkelijk sprake van proza in de titel, alsof er een statement wordt gemaakt. Hebben we hier te maken met een mengvorm? Begeven we ons in het vage grensgebied of niemandsland tussen proza en poëzie?

Het werk van Bayer is alleszins avant-gardeliteratuur die een fikse inspanning van de lezer vergt, maar die heeft er dan ook baat bij om zichzelf af en toe uit te dagen, te prikkelen en zich los te wrikken uit vastgeroeste leesgewoonten. Daarbij is een gezonde dosis geduld aangewezen, maar vooral moet wie zich in Bayers wereld waagt de neiging onderdrukken om meteen te gaan panikeren als hij niet onmiddellijk ‘begrijpt’ wat er staat: enkel wie zich laat meevoeren door de tekst en openstaat voor het irrationele, haalt de overkant.

Het is grotendeels de verdienste van vertaler, essayist en criticus Erik de Smedt dat het werk van Konrad Bayer in het Nederlands beschikbaar is: hij heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat een aantal boeken van de Oostenrijker in het Nederlands beschikbaar zijn. Die onbaatzuchtige inzet verdient lof, want Bayer is bepaald geen ‘gemakkelijke’ of toegankelijke auteur.

Bayer komt meteen binnen met Het sprookje van de beelden, het eerste prozastuk in deze bundel: hij gebruikt bijna geen interpunctie of hoofdletters, alsof hij de leeservaring zo weinig mogelijk probeert te sturen. Wegwijzers staan er niet: het lijkt wel de bedoeling dat je in Bayers proza verdwaalt. In dit geval gaat het om een surrealistisch sprookje vol associatieve beelden die steevast met het voegwoord ‘als’ worden geconstrueerd: ‘nu verrijst voor haar ogen die eruitzien als meneer theo een ridder die eruitziet als de engelse tuin in münchen uit een spleet die eruitziet als de tafels van vermenigvuldiging in de aarde die eruitziet als een recept voor apfelstrudel en stijgt op in de lucht die eruitziet als wijlen mijn grootvader.’ Enkele voet- of eindnoten zouden overigens wel van pas zijn gekomen in dit boek, onder meer om voor de lezer even te verduidelijken wie Hubert Aratym of Herostratos was. Maar er zijn ook argumenten om die niet te gebruiken: ze staan er in de oorspronkelijke versie immers evenmin. ‘Voetnoten zijn pispotten onder het bed van een boek,’ zei Francisco de Quevedo al.

Een ander interessant stuk is omar, dat volgens vertaler Erik de Smedt in het licht van Bayers fascinatie voor de Sade en Lautréamont kan worden gezien. Door de maniakale herhaling van het woord ‘bloed’ treedt een zekere gewenning op, zodat de laatste regel (‘een dikke bloedstraal spuit in zijn gezicht’) haast gewoontjes klinkt. Dat stemt tot nadenken over de taal en hoe de betekenis van een woord zelfs in een stukje proza van acht regels kan worden verdraaid en ontkracht. Ook Bayers interesse voor sjamanisme en magie kan hierbij een rol hebben gespeeld: de bezwerende herhaling van een woord zou immers magische krachten kunnen oproepen.

Herhalingen en weglatingen spelen in meerdere prozastukken een belangrijke rol. Zo werden in karl een karl alle zelfstandige naamwoorden vervangen door ‘karl’: ‘nu verschijnt karl met karl op de karl en gooit karl op karl in de karl’ Alsof de taal te onbeholpen is, niet geschikt om ons uit te drukken, en je dus net zo goed alle substantieven door een eigennaam kunt vervangen. In zijn interessante nawoord wijst Erik de Smedt daarbij ook terecht op Bayers gevoel voor ritme, dat sterk was beïnvloed door de free jazz van Ornette Coleman. De relatie tussen jazz en de naoorlogse avant-gardeliteratuur was immers zeer innig: niet alleen auteurs van de Beat Generation als Jack Kerouac of Allen Ginsberg deden er hun voordeel mee, maar ook in ons taalgebied bijvoorbeeld Jules Deelder, die dezelfde herhalingsdrang tentoonspreidt in zijn gedicht Intro: ‘Jazz weet. Jazz doet. Jazz laat. Jazz komt. Jazz gaat.’ Als tegenhanger van karl een karl zou je het stuk argumentatie voor de bewustzijnsdrempel kunnen beschouwen, waarin alle substantieven geschrapt zijn (‘aan de die voor de en aan de dat ondanks de van geen’). In zekere zin vullen die twee teksten elkaar dus aan (of zijn het net antipoden).

Bayers meesterschap komt ongetwijfeld tot uiting in de peer, waarin een beet in de vrucht het toegangspunt tot een heel universum is. Het kleine krijgt daarbij kosmische dimensies. Bayer laat de lezer meereizen van het microscopische naar de oneindigheid en terug, op een manier die bij momenten herinneringen aan Borges oproept.

Romance is op het eerste gezicht een kort, idyllisch liefdesverhaal, maar het wordt bewust verstoord met een details en ‘objectieve’ wetenschappelijke informatie: ‘TOEN maandag de 12e januari 1959 na christus, temperatuur -1 graad celsius, 11 uur 35 MET in de hal van het huis wenen 19e district, billrothstrasse 51, theodor billroth, 1829-1894, chirurg, wie was billroth aan het opereren toen het bevel werd gegeven om op de revolutionairen te schieten?’ Weer rijzen een heleboel vragen: wat is informatie, wat zijn feitelijke gegevens, wat doet er toe in dit verhaal? Bayer ondergraaft met plezier de ratio en zet de aanval in op het geloof in een ‘objectieve werkelijkheid’, zoveel is zeker.

In zijn nawoord schrijft de Smet beeldend dat het Bayer er vooral om te doen was om ‘de korst van het denken los te peuteren’. Het moet gezegd: hij slaagt er in dit boekje in om je wereldbeeld op losse schroeven te zetten en zekerheden op te blazen. In dat opzicht staat de peer en ander proza garant voor een meer dan onthutsende leeservaring.

 

‘Geen boek zo slecht of er staat wel iets nuttigs in’

Plinius was senator en consul van Rome maar ook advocaat en letterkundige. Hij leefde van ca. 62 tot ca. 113 na Chr. Hij was een ontwikkeld, humaan en rijk man.
Naast zijn drukke leven in Rome, adoreerde hij het leven op het platteland. Hij bezat een aantal landgoederen waar hij zeer graag verbleef: in zijn geboorteplaats Como, in Umbrië en even buiten Rome. Hij deed niets liever dan zich terugtrekken uit het drukke leven om zich in een van zijn villa’s te ontspannen. Eigenlijk deed hij niets liever dan lezen en schrijven. Hij heeft veel brieven geschreven en een groot deel daarvan heeft hij gepubliceerd in negen boeken. Hij vond zichzelf een belangrijk man, enige ijdelheid kan hem niet ontzegd worden en alles wat hij van belang achtte, kreeg een plaats in zijn Verzamelde brieven.

Uit die brieven heeft Vincent Hunink, classicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, een selectie gemaakt van 22 brieven die over de villa’s van Plinius gaan. Hij heeft ze vertaald en toegelicht.
In de twee langste brieven beschrijft Plinius uitgebreid zijn landhuizen in Rome, Umbrië en Como, met veel aandacht voor de architectuur van de villa. Hij vertelt over de inrichting van het huis met zijn haast eindeloze reeks eetkamers, privévertrekken, koud- en warmwater badkamers, massagekamers, speelkamers, rustkamers, voorraadkamers en natuurlijk de wijnopslag.
Voor elke kamer geeft hij aan op welk tijdstip van de dag in de volle zomer het zonlicht naar binnen valt. Dan volgen nog beschrijvingen van de slavenvleugel, van terrassen, verdiepingen, atria’s, paviljoens, zuilengalerijen, om te eindigen met een beschrijving van de ligging van de villa en de planten in de tuin (‘de golvende acanthus, de prachtige buxus’).

Die beschrijvingen zijn weliswaar uitvoerig maar Plinius heeft zich vooral toegelegd op het beschrijven ervan in literaire zin; het is niet zo dat zo’n villa zich als het ware voor je ogen ontvouwt. Hunink schrijft in zijn Inleiding dat het jammergenoeg niet mogelijk is gebleken op basis van Plinius’ beschrijving zo’n villa  te tekenen; deskundigen hebben de moed opgegeven een reconstructie te maken.

Plinius schrijft vooral over wat het huis hem doet, waarom hij er zo graag vertoeft en hoe hij zijn dag besteedt. Een aantal brieven gaat expliciet over zijn ‘welbestede dagen’. De ontspanning begint met het weg zijn uit Rome, geen ‘saaie beslommeringen’ meer aan je hoofd. Geen kletspraatjes met anderen, maar met jezelf en je boeken in gesprek zijn. Hij raadt het iedereen die een brief van hem krijgt aan: ‘Vandaar mijn raad aan jou. Die herrie, dat domme gedoe, die absoluut futiele bezigheden, geef ze op zodra je de kans krijgt en wijd je aan de literatuur.  Of aan ontspanning. Want zoals onze vriend Atilius met zoveel wijsheid én humor zegt: beter ontspannen dan druk met niets.’

Plinius idealiseert de tegenstelling tussen het drukke leven in Rome, en de rust en ruimte op het platteland of aan zee. De plichten die hem aan Rome binden en die hij zegt te ervaren als knellende banden, ruilt hij graag in voor ruimte voor literatuur in een oase van rust. Zoals Hunink in de inleiding schrijft is het ‘gespeelde eenvoud’, want tegelijk beseft hij zijn verantwoordelijkheid voor het besturen van een stad als Rome. Hij lost deze tegenstelling op door te schrijven ‘de vroegste en middelste perioden van ons leven moeten we namelijk besteden aan het vaderland, de laatste aan onszelf. Zo staat het ook in de wet: een man op leeftijd mag zich terugtrekken uit het actieve leven.’ Hij beklaagt zich er vervolgens dan wel weer over dat hij niet weet wanneer die tijd voor hem komt. In elk geval niet te vroeg.

De brieven van Plinius zijn mooi geschreven en prettig om te lezen. Daar heeft hij ook erg zijn best op gedaan. De informatie die er in staat is evenwel niet altijd interessant of  bijzonder, maar zoals hij zelf schrijft in elk boek staat wel iets nuttigs. Zo geeft dit boekje enig inzicht in het leven van een drukke Romeinse politicus. Zijn lofzang op het buitenleven is van alle tijden, evenals het zoeken naar een balans tussen arbeid en rust

100 jaar na Chr. zijn er vragen geformuleerd die ons 2000 jaar later nog steeds bezig houden. Als je zijn brieven zo interpreteert, zijn ze verrassend actueel.

 

 

Nog enkele plaatsen vrij bij Masterclass column schrijven

‘Wat maakt een column tot een column en kan iedereen die kan schrijven ook columns schrijven? En zijn er eigenlijk wel regels voor columns of zit juist in het ongedisciplineerde van de column haar kracht.’

Eind oktober organiseert Literair Nederland samen met Het Literatuurhuis een 2-daagse masterclass column schrijven. De master wordt gegeven door gerenommeerd columnist Rob Schouten (schrijver, dichter, literatuurcriticus, enige jaren hoogleraar literaire kritiek UVA) en Rutger Lemm (columnist, schrijver, interviewer en redacteur).

Rob Schouten zal tijdens deze masterclass ingaan op de verschillende soorten columns zoals er zijn de particuliere column; actuele column; tijdloze column en de ideeëncolumn.
Aan de hand van een aantal columns van columnisten, zoals Martin Bril, Sylvain Ephimenco en Remco Campert zal Schouten meer vertellen over de opbouw van hun teksten, de ideale stijl, de redeneertrant, de manier van denken etcetera.

Rutger Lemm zal zich richten op de balans tussen particulier en universeel schrijven, over associatief en structureel denken en het belang van een strenge redacteur. Hoe kun je jouw inzichten over de wereld en het leven op een aangrijpende, grappige en diepgaande manier delen?

Deze master vraagt enige inzet van de deelnemers:
Bekend zijn met verschillende columnisten.
Vooraf een column insturen.
In de tussenliggende week een column schrijven.

 

Aanmelden kan hier.

Deelname kosten zijn incl. koffie/thee, heerlijke lunch en afsluitende borrel 2e dag.

 

 

Een wandelaar

Soms moet je tot middelen overgaan die je eerder wantrouwde. Niet alleen een goed boek scherpt de geest maar ook meer pit in het eten kan de boel wakker schudden. Dus voegde ik deze week een stukje gele peper, Madamme Jeannette aan de pompoensoep toe. En terwijl ik Madamme Jeanette erdoor roerde dacht ik aan mezelf als een wandelaar en fietser. Waar die gedachte vandaan kwam kan ik niet verklaren, maar met de gedachte kwam het besef dat het maanden geleden was dat ik verder had gewandeld dan naar de buurtsuper om de hoek en dat het weken geleden was dat ik had gefietst. Zo hield ik mezelf door een gedachte in stand. Na de soep sprong ik op de fiets en stopte pas in een stadje aan de IJssel waar ik me op een terrasje zette met Godin, held van Gustaaf Peek. Onderwijl noterend wat zoal om me heen gebeurde in een klein zwart (nee, geen moleskine) boekje.

Op het vrijwel lege terras zaten een man en een vrouw met een glas bier voor zich. Beslist geen Tessa en Marius, het stel uit Godin, held. Dit echtpaar had zijn beste tijd gehad gezien hun zwijgzaamheid. ’s Avonds was er in het stadje aan de IJssel niets te beleven, de straten waren verlaten. Je zag de verslagenheid van eeuwige pech op hun schouders rusten. Wel keken ze geregeld achterom, naar waar ik zat, en opzij naar het terras van een nabijgelegen eethuisje. Ik keek met ze mee naar dat naastgelegen eethuisje. Het was daar aanzienlijk drukker. En hé, er zat een uitgever uit Amsterdam. Het omgekeerde van wat Van der Laan in Zomergasten had benadrukt ging door me heen; kleine steden zijn ook van Amsterdammers. De uitgever zat aan een tafeltje met een oudere man met wit haar die wel wat weg had van de schrijver waarmee Adriaan van Dis ooit in de clinch lag in zijn programma ‘Hier is Adriaan van Dis’, maar dan een vriendelijker versie daarvan.

Terug naar het echtpaar voor me. Ik schreef in het kleine boekje dat ze het ‘zwijgen tot communicatie verheven’ hadden. Toen kwam de gedachte ontdekt te worden – zoals een zanger in het park of op een steiger al zingend ontdekt wordt – door een schrijver van een belendend terras. Dat het geluid van je pen over het papier en het gedreven ritme van het schrijven hem influisterden dat hier iets gebeurde wat niet onopgemerkt mocht blijven. Dat hij vroeg te mogen lezen wat je daar zoal opschreef want hij was een expert in het ontdekken van echte schrijvers. Ondertussen at de schrijver – die vertaler bleek van een bekend Russisch schrijver – van een zoutloos gerecht, zoals de serveerster zijn bestelling noemde. Ik dacht aan hoge bloeddruk en dat het beter is geen zoethoutthee te drinken al wilde ik hem daarvoor niet waarschuwen. De enige drank die de vertaler gebruikte was rode wijnsaus over zijn steak. Wellicht om er wat pit aan te geven.