Een echt Renaissance-mens

Meer dan tien jaar heeft Michiel van Kempen gewerkt aan deze biografie van Albert Helman. Het is dan ook een vuistdik boekwerk geworden: 638 bladzijden tekst en 75 bladzijden noten. Dat vraagt om een rechtvaardiging, zeker gezien het oude adagium: ‘In de beperking toont zich de meester’ en ….., wie is eigenlijk die Albert Helman?
Voor het lezen van deze biografie wist ik niet zo bijster veel van Albert Helman. Mijn boekenkast bevat nog een pocket van zijn hand uit de Salamanderreeks getiteld Zuid-zuid-west. Bij het doorbladeren kwam het verhaal weer in mijn herinnering boven drijven, een serie schetsen over het koloniale leven in Suriname, waar zijn wieg gestaan heeft. Omdat de naam Helman mij wel altijd is bijgebleven als een van de Nederlandse vrijwilligers die zich voor de oorlog aanmeldden bij de Internationale Brigades om te gaan vechten tegen de fascisten van generaal Franco, heb ik een paar jaar geleden zijn opnieuw uitgegeven boek, De sfinx van Spanje, gelezen, een van de weinige ooggetuigenverslagen van de strijd tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Tenslotte stuitte ik onlangs bij een antiquariaat op een andere, aanzienlijk dunnere biografie van Helman uit 1949 geschreven door Max Nord. Helman was toen 46 en zou er nog 47 jaar aan vastknopen.

Wie is Albert Helman?
Lou Lichtveld (Albert Helman) is een Surinaamse jongen, die breekt met zijn roots en zich in 1922 in Nederland vestigt. Hij schrijft onder talloze pseudoniemen, maar meestentijds onder de naam Helman. Onder die naam is hij ook het meest bekend geworden. Hij is in zekere zin briljant te noemen. Hij is een snelle en originele denker, energiek, een vlotte en soms zeer goede schrijver, uitstekend muzikant en componist, prachtig dichter, sociaal vaardig, maatschappelijk betrokken, maar ook: zelfingenomen en zelfzuchtig, behept met een minderwaardigheidsgevoel, ongeduldig en vaak onaangenaam, dol op seks tot zelfs in zijn laatste dagen als, aldus Van Kempen, hij schalks in het oor van een van zijn lieftallige gezelschapsdames fluistert: ‘Weet je wat ik nou nog zo dolgraag eens zou willen? Een keer van bil gaan?’

Wat heeft Albert Helman allemaal gedaan?
Naast vele romans en korte verhalen heeft hij talloze recensies geschreven, commentaren geleverd, analyses geschreven, ingezonden brieven en heel veel gedichten. Hij heeft vele lezingen gehouden, zelfs op het kleine eiland Saba, wat Van Kempen de verzuchting ontlokt: ‘Hij geeft maar liefst drie lezingen op het piepkleine eilandje; soms vraag je je af of hij ook voor de albatrossen heeft gesproken.’ Hij is diplomaat geweest, minister, hoofd van de rekenkamer, redacteur van tijdschriften, vrijwilliger aan het front in de Spaanse Burgeroorlog, verzetsstrijder in Nederland, heeft in de zuiveringscommissie gezeten, heeft zich bemoeid met de onafhankelijkheid van Suriname, actief gelobbyd tegen Bouterse c.s. Hij heeft niet alleen gesproken en aan tafel gezeten met de culturele en politieke elite van Nederland, maar met de groten der aarde. Kortom Albert Helman is een actief baasje geweest, een man met buitengewone capaciteiten op tal van terreinen: een echt Renaissance-mens zoals hij ook graag wilde zijn, aldus Van Kempen.

Wat is de betekenis geweest van Albert Helman op bovengenoemde vlakken?
Dat blijft onduidelijk. Van Kempen schrijft in zijn inleiding: ‘Deze biografie geeft op sommige plaatsen niet de detaillering die biografen van auteurs van een klein oeuvre wel kunnen geven’. Hij heeft, zoals hijzelf zegt, rigoureuze keuzes moeten maken. Zo laat hij alle rapporten, memoranda en andere teksten van meestal lokaal belang uit Helmans diplomatentijd achterwege, maar ook structurele en stilistische analyses van zijn werk. Alleen ‘gefilterd sijpelen ze door naar het biografische verhaal, bijvoorbeeld daar waar kritieken aanleiding hebben gegeven tot publieke debatten’. Hoewel het eerste vanzelfsprekend is, is het tweede jammer en ook niet helemaal begrijpelijk. Helman is immers toch het meest bekend als literator en niet als diplomaat. Om hem te kunnen kennen, is inzicht in- en dus analyse van zijn werk toch onontbeerlijk? Zijn rigoureuze keuzes lijken dan ook vooral gebaseerd op de snoeischaar, maar hebben niet geleid tot een principieel andere benadering. Ondanks de veelheid aan bronnenmateriaal, blijft Van Kempen vasthouden aan een chronologische beschrijving van het leven van Albert Helman, eigenlijk zonder enigerlei andere vorm van ordening. Dit is jammer, aangezien er zo wel erg veel van de geïnteresseerde lezer gevraagd wordt. Helman heeft zich immers gedurende een lange reeks van jaren op tal van terreinen wereldwijd actief betoond. Van Kempen had er, gezien de overstelpende hoeveelheid materiaal, beter aan gedaan om, binnen een zeker chronologisch kader, te kiezen voor een meer thematische benadering, bijvoorbeeld, Helman als literator; Helman en Suriname enz.

Tot en met hoofdstuk 7 blijft het boeien, waarschijnlijk omdat het gebodene zich tot dan toe afspeelt binnen de grenzen van onze eigen cultuurgeschiedenis, namelijk een stukje kolonialisme, verzuiling, opkomst fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de bezetting en tenslotte de wederopbouw en de afrekening. Daarna waaiert het verhaal alle kanten uit. Dit heeft vooral te maken met de vele diplomatieke activiteiten van Helman nadien. Als betekenisvolle schrijver lijkt hij, na de oorlog, zijn tijd gehad te hebben. Er beklijven daarvan alleen nog wat anekdotes en die zijn er genoeg. Helman was immers een controversiële figuur en Van Kempen kan daar smakelijk over vertellen. Maar er ontbreekt een betekenisvolle ordening, iets dat wel ten grondslag ligt aan het oude boekje van Max Nord. Helemaal rechtvaardig is deze kritiek natuurlijk niet. Het boekje van Nord is verschenen in de serie ‘Schrijvers van heden’ en pretendeert niet zozeer een biografie te zijn, maar slechts een duiding van de betekenis van het werk van de schrijver Albert Helman tot 1949. Het is geen biografie in de zin die Van Kempen voor ogen staat en bovendien in tijdsbestek veel beknopter. Maar het is wel gebaseerd op een betekenisvolle ordening, namelijk Helman als schrijver. Dus, niks geen relaas over zijn huwelijksperikelen, maar wel over de invloed van Kafka, Freud, Camus en het existentialisme op zijn werk, hoe zijn werk zich verhoudt tot dat van bijvoorbeeld Couperus. Op zo’n manier is zo veel meer omtrent Helman te leren.

Kunstenaar van de angst

Hitchcock is waarschijnlijk de meest besproken regisseur uit de filmgeschiedenis. De eerste biografie over de iconische filmmaker verscheen twee jaar voor zijn dood in 1980, en inmiddels zijn er over hem nog minstens vijftien andere biografieën te vinden (die van Taylor, Spoto en McGilligan zijn het meest bekend). Peter Ackroyd voegt zich in dit rijtje met zijn nieuwste boek, dat de droge titel Alfred Hitchcock heeft meegekregen.

Hitchcock was een merkwaardige man, en hetzelfde kan gezegd worden van zijn meest recente biograaf. Peter Ackroyd leeft min of meer voor het schrijven. Het verhaal gaat dat hij elke dag aan drie verschillende boeken werkt: de ochtend besteedt hij bijvoorbeeld aan een historisch werk, ’s middags is dan gereserveerd voor een biografie en in de avond wordt er bijgeklust met het schrijven van fictie. Zijn oeuvre telt inmiddels meer dan 50 boeken. De gemene deler is dat het over Engeland en Londen gaat, of over illustere landgenoten.
Ackroyd beschrijft in deze biografie het leven van de Britse regisseur Alfred Hitchcock op strikt chronologische wijze en grotendeels aan de hand van zijn films.

Angsten en obsessies
Het eerste hoofdstuk, dat de jeugd beslaat van de jonge Alfred, geeft relatief veel achtergrondinformatie, die helpt om de publieke en bijna mythische figuur die hij geworden is te kunnen plaatsen. Het medium film stond nog in de kinderschoenen toen Hitchcock in het begin van de 20e eeuw in een voorstad van Londen de katholieke kostschool doorliep. Al op jonge leeftijd zou hij gekampt hebben met ongeoorloofde verlangens en daaruit voortkomende angsten. Ackroyd schrijft, bij uitzondering nogal speculatief; ‘Hij had een afschuw van het leven die hij alleen door zijn fantasie kon verzachten. En hij veranderde nooit wezenlijk. De angsten en obsessies uit zijn jeugd behield hij tot het einde van zijn leven.’

Na een korte carrière in de reclamewereld belandde Alfred Hitchcock op 22-jarige leeftijd in de filmindustrie. Aanvankelijk was het zijn taak om de tussentitels bij stomme films te ontwerpen, maar al snel wist hij zich ook op andere terreinen van het filmproces nuttig te maken. Op de filmset leerde hij de vrouw kennen die zijn gehele carrière en leven bij hem zou blijven, Alma Reville. Ze werd altijd betrokken bij de totstandkoming van scenario’s en drukte ook haar stempel op de montagetechnieken die Hitchcock toepaste.

Visueel
Alfred Hitchcock mocht vanaf 1925 zelf op de regisseursstoel gaan zitten en oogstte onmiddellijk succes (hoewel hij in zijn leven ook geregeld te maken kreeg met slechte pers of tegenvallende bezoekersaantallen). De hoofdstukken over de vroege jaren van Hitchcocks carrière zijn interessant om te lezen. Hij was heel visueel ingesteld en zag individuele scènes levendig voor zich, vaak nog voordat hij een plot of personages had uitgewerkt. Dit laatste was werk voor de scenarioschrijver van dienst. Hitchcock werd sterk beïnvloed door de Duitse expressionisten, met name W.F. Murnau, die hem leerden hoe hij een verhaal moest vertellen zonder woorden te gebruiken. Een andere inspiratiebron was Edgar Allen Poe, wiens angstwekkende verhalen hem al vanaf jonge leeftijd fascineerden.

Enkele films uit zijn Engelse periode genieten nog steeds bekendheid bij de filmliefhebber, maar zijn blijvende roem heeft Hitchcock te danken aan de films die hij in Hollywood zou maken vanaf de jaren 40 en vooral 50 (onder andere Rear Window, Vertigo, Psycho).

Projectie
Ackroyd beschrijft het productieproces achter een groot deel van Hitchcocks meer dan 50 films. De biografie is overwegend zakelijk van toon maar geeft soms smakelijke details over de samenwerking met sterren als Ingrid Bergman, Kim Novak en Grace Kelly. Een korte mening over waarde van de film binnen het oeuvre van Hitchcock volgt vaak, wat Ackroyd geregeld gepaard laat gaan met het oordeel dat de regisseur er zelf over heeft uitgesproken. Voor werkelijke filmanalyse is weinig ruimte. Ackroyd tekent op dat Hitchcock daar zelf ook niets van moest hebben: hij was vooral geïnteresseerd in het effect van zijn film op het publiek. ‘Hitchcock projecteerde zijn angst op zijn films, waarin deze een intrinsiek aspect van het dagelijks leven vormt. […] Hij had zo’n intieme band met zijn eigen angsten dat hij intuïtief in staat was die van het publiek op te poken.’

De biografie Alfred Hitchcock is soms nogal droog, hoewel het te prijzen valt dat het boek nog geen 300 pagina’s telt, een prestatie die helaas voor vele biografen onbereikbaar blijkt. De ware Hitchcock-liefhebber zal wellicht weinig nieuws tegenkomen, maar voor wat breder georiënteerde cinefielen biedt het boek een vrij compact overzicht van de carrière van Hitchcock. Het werpt enig licht op wat sommigen wel ‘the dark side of genius‘ hebben genoemd en toont de werkwijze achter de bekendste films van de man die hele generaties in de bioscoop schrik wist aan te jagen.

Geen volk kan zonder verhalen

Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

Mohammed en het ontstaan van de islam

Auteur: Marcel Hulspas
Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep (2015)
Aantal pagina’s: 640
Prijs: € 27,50

 

De kunst van een eenling

De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

 

Goethe. Kunstwerk van het leven
Biografie

Auteur: Rüdiger Safranski
Vertaald door: Mark Wildschut
Verschenen bij: Atlas Contact
Aantal pagina’s: 704
Prijs: € 44,99

Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

‘”Ik ben cellist”, zei ooit een vriend van Poetin tegen hem, “Ik weet dat jij geheim agent bent, maar ik weet niet wat dat inhoudt. Wie ben je? Wat doe je?” “Ik ben specialist in menselijke verhoudingen”, antwoordde Poetin koeltjes.’

Hutchins en Korobko laten hun biografie van Poetin beginnen met zijn bezoek aan de Britse koningin Elisabeth, een van de meest directe, nog levende afstammelingen van de laatste Russische tsaar. Hiermee illustreren  zij meteen de opzet van het boek: de opgang van de volksjongen Vladimir Poetin, Vlad voor zijn vrienden, in de grote boze wereld.

Als kind groeit hij op in een éénkamerappartement in een Kommunalka in Leningrad, een grauwe woonkazerne waar privacy een onbekend begrip is. Tamelijk klein van stuk, heeft hij keihard moeten vechten om zich staande te houden tussen de jongens van de buurtgangs. Een echte pitbull met een ijzersterk karakter, aldus een oude vriend. Later heeft hij zich bekwaamd in verschillende vechtsporten, vooral judo, onder het motto: ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’. Hij maakt carrière binnen de communistische Geheime Dienst, is geheim agent in Dresden als ‘De Muur’ valt, maakt, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, carrière in Leningrad, wordt door Jeltsin naar Moskou gehaald en schopt het vervolgens tot president van de nieuw opgerichte Russische Federatie. Vlad, de volksjongen wordt ontvangen door de hoge adel van het Britse hof. Vladimir Poetin, ex-vertegenwoordiger van een bewind dat verantwoordelijk is voor de moord op de tsarenfamilie kust de hand van koningin Elisabeth. Het lijkt wel een sprookje!

Het gaat er de schrijvers minder om Poetin politiek te duiden als wel om een beeld te geven van zijn persoonlijkheid en de opmerkelijke carrière die hij heeft gemaakt. Ook de titels van de hoofdstukken wijzen in deze richting. Zij hebben sterk het karakter van een avonturenroman, een jongensboek:

1. Vlad de veroveraar
2. Geheim agent en minnaar
3. Tanks en toewijding
4. Blair in het land van de sovjets
5. Bloedbad in de achtertuin
6. De jacht op Chodorkovski

Hierin schuilt dan ook het aantrekkelijke van het boek. Wie wil nu niet wat meer weten over Poetin, die vrijwel dagelijks in de westerse media wordt afgeschilderd als een gewetenloze machtswellusteling, als een sluwe vos die, als leider van een van de machtigste landen ter wereld, niet alleen politiek volstrekt onberekenbaar is, maar vooral ook onbetrouwbaar? Het gevaar bestaat dat deze benadering enigszins hagiografisch wordt, dat Poetin te kritiekloos wordt neergezet als een echte mannetjesputter. Hoewel hij dat natuurlijk ongetwijfeld is, is het knap van de schrijvers dat zij ook oog blijven houden voor de schaduwkanten van zijn persoon.

Het boek geeft een fascinerend beeld van een van de meest turbulente perioden uit de jongste geschiedenis: de ineenstorting van de Sovjet-Unie en, in het kielzog daarvan, van het hele Sovjetimperium in Oost-Europa, maar ook van de worsteling van het nieuwe Rusland om aansluiting te vinden bij de moderne wereld. Dit alles wordt geschetst aan de hand van de carrière van Poetin.

Hij is, zoals zo veel Russen, bijzonder vaderlandslievend en ziet de KGB als voornaamste hoeder van dat vaderland: ‘Ik ga geheim agent worden: dát zijn de mensen die de oorlog winnen, niet het leger. De soldaten zijn slechts dienaars, de spierkracht, maar niet de hersens.’
Als agent van de KGB leert hij al snel dat de KGB bepaalt wat de wet is. Hij adoreert Andropov, ex-KGB-baas en de jong gestorven opvolger van de half seniele Sovjetbons Tsjernenko en bij de ineenstorting van de Sovjet Unie geldt zijn toewijding zeker niet het systeem, maar wel de KGB, het korps dat het vaderland beschermde. Poetin komt naar voren als een man met een groot gevoel voor kameraadschap, persoonlijke trouw, de laatste en enig overblijvende normatieve kracht om te overleven in een wereld die finaal is ingestort. Dit ervaart zijn beschermheer Sobtsjak, de burgemeester van het meest criminele wespennest van Rusland, Leningrad. Als KGB-agenten hem erin proberen te luizen, staat Poetin pal. Oude vrienden laat hij nooit in de steek. Hij creëert als het ware een coterie om zich heen van oude kameraden zoals bijvoorbeeld Medvedev, die door een persoonlijke eed van trouw aan elkaar gebonden zijn, feodaal bijna. Deze eigenschap brengt hem later ook in contact met de Russische president Jeltsin, die hem uiteindelijk naar voren schuift als zijn opvolger: ‘Als Poetins mentor kan ik jullie vertellen dat de democratie veilig is in zijn handen’.  Als wij westerlingen dit lezen, moeten wij daar een beetje wrang om lachen. De democratische opvattingen van Poetin zijn wel erg ‘Russisch’. Hij geldt vooral als een pragmatisch man, die bereid is moord te vergoelijken – en in ieder geval niet te beschouwen als iets dat in alle opzichten verwerpelijk is – zolang dit maar, in zijn ogen, het landsbelang dient. Een voorbeeld hiervan is de moord op de journaliste Anna Politovskaja, die al te vrijmoedig artikelen publiceerde over het Russische optreden in Tsjetsenië.

Nu had Poetin ook bepaald geen eenvoudige klus te klaren. De economische chaos die Poetin erfde van Jeltsin was gigantisch. Diens ‘leningen voor aandelen programma’, waarbij Jeltsin bijna alle staatsbedrijven in de uitverkoop gooide om uiteindelijk waardeloze leningen te verkrijgen ter dekking van de uit de hand lopende staatsuitgaven, wekte de hebzucht van gewiekste en gewetenloze ‘Robberbarons’, oligarchen, zoals ze tegenwoordig genoemd worden. Poetin zag het als zijn voornaamste doel dit soort types de wacht aan te zeggen. Dit is hem ook gelukt. De meest bekende figuur onder hen is Chodorkovski, die een jarenlange straf moest uitzitten in Siberië. In hoeverre Poetin er werkelijk in geslaagd is deze Russische zwijnenstal echt uit te mesten, is de vraag. Maar goed, nu komen we toch weer te veel op het politieke vlak, terwijl het boek in essentie een beeld tracht te geven van de figuur Vladimir Poetin, van zijn karakter, zijn persoonlijkheid. Vanzelfsprekend zijn deze twee zaken niet van elkaar te scheiden, hooguit te onderscheiden. Naast zijn vaderlandsliefde, trouw, pragmatisme, hardheid en misschien zelfs een zekere gewetenloosheid springt zijn gevoel voor public relations in het oog. Bekend is zijn uitspraak: Het enige verschil tussen een rat en een hamster is dat een hamster een betere PR heeft’. Hierin schuilt één van de factoren die westerse Kremlinwatchers vaak in verwarring brengt: Poetin voldoet niet aan het traditionele beeld van de vroegere Sovjetleiders. Hij kent het westerse gevoel voor pr uitstekend en maakt daar dan ook gebruik van op een manier die ons vaak onaangenaam verrast. Poetin is echt het type van wat met een mooi Duits woord genoemd wordt een ‘realpoliker’ die maar één doel nastreeft, nl. het behoud van de eigenwaarde van ‘moedertje Rusland’.

Misschien schuilt er wel veel waars in de uitspraak van een vriend van Poetin, een zakenman in Londen, die zegt: ‘Vladimir Poetin is niet meer een moordenaar dan bijvoorbeeld Winston Churchill dat was.’ Een uitdagende stelling om  over na te denken, wellicht…… Maar hoe het ook zij, Chris Hutchins en Alexander Korobko zijn erin geslaagd het juiste evenwicht te vinden tussen een goed geschreven, gedegen biografie over een van de belangrijkste politieke figuren van onze tijd, gebaseerd op goed onderzoek zonder te vervallen in hetzij naïeve bewondering, hetzij virulente afwijzing. Een complicerende factor is gelegen in het feit dat er juist in de periode na de verschijning van dit boek zoveel is gebeurd dat de beoordeling van Poetin door de westerse wereld kleurt.

 

Poetin

Auteurs: Chris Hutchins en Alexander Korobko
Vertaald door Annelies de Hertogh en Els de Roon Hertoge
Verschenen bij: Uitgeverij Glagoslav
Prijs: €24,95

Portret van een oeuvre

Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er gelukkig genoeg.

Spiegelbeeld en schaduwspel 
Het oeuvre van Hella Haasse

Auteur: Margot Dijkgraaf
Verschenen bij: Querido (2014)
Aantal pagina’s: 320
Prijs: € 22,50

Biografie over ‘ongepolijste’ schrijver

 

Er zijn verschillende biografieën verschenen over de Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916); hieraan heeft onze landgenoot Hans Dütting (1947) er in 2014 eentje toegevoegd onder de simpele titel: Jack London.

Dütting heeft meerdere biografieën geschreven, o.a. over Jan Cremer; hij was tot zijn pensionering als medewerker verbonden aan het Letterkundig Museum in Den Haag. De werkwijze van de biograaf is als volgt. Hij opent met een chronologie van het leven van Jack London. Op zich niets bijzonders, dat doen wel meer biografen. Maar Dütting doet dat heel strikt – jaartalsgewijs – bovendien vermeldt hij per jaartal diverse belangrijke gebeurtenissen.

Voorbeelden: 1882: Jack London bezoekt de lagere school. De schrijver Robert Louis Stevenson publiceert Treasure Island. 1890: Jack maakt zijn school af en gaat werken in een conservenfabriek waar zalm wordt ingeblikt. Vincent van Gogh pleegt zelfmoord. 1896: Jack verlaat de middelbare school en wordt toegelaten tot de universiteit van Californie. Theodor Herzl publiceert zijn boek Der Judenstat, de aanzet tot het georganiseerde Zionisme.

De vroege jeugd van Jack verloopt – evenals de rest van zijn korte leven – stormachtig en avontuurlijk. Essentieel, al in zijn lagere schooltijd, is dat hij wordt gegrepen door de literatuur, mede onder invloed van de bibliothecaresse en dichteres Ina Coolbrith. Zijn hartstocht voor boeken laat hem nooit meer los. En vanaf zijn middelbare schooltijd (1895 in Oakland, Californië) publiceert hij korte verhalen en artikelen, al verloopt dat proces aanvankelijk moeizaam en zonder noemenswaardige inkomsten. Hij heeft dan al (in 1893) een carrière als matroos achter de rug aan boord van een schoener, die via o.a. Hawaï de Beringzee bezoekt. Terug in Californië werkt hij in een jutefabriek. Hij krijgt in een wedstrijd voor jonge schrijvers de eerste prijs (25 dollar) voor zijn verhaal ‘Story of a Tyfoon off the Cost of Japan’.

In 1896, dus op 20-jarige leeftijd, sluit hij zich aan bij de Socialist Labor Party. Voor deze partij stelt hij zich tweemaal kandidaat voor het burgemeesterschap van Oakland, doch beide keren tevergeefs.

Het jaar daarop verlaat hij de universiteit en besluit hij zich volledig aan de literatuur te wijden. In hetzelfde jaar wordt bekend, dat er in Klondike, in het uiterste noorden van Canada, goud is gevonden en dus vertrekt de avontuurlijke London naar Klondike. Maar veel goud vindt hij daar niet en terug in Oakland verkoopt hij zijn schamele hoeveelheid goud voor 4 dollar 50! In deze periode doet hij in gesprekken in kroegen inspiratie op voor zijn bestseller The Call of the Wild. Het boek werd aanvankelijk – in 1903 – als feuilleton in de Saterday Evening Post gepubliceerd. Toen het in boekvorm verscheen verkocht London de rechten – uit geldnood – voor 2000 dollar aan de uitgever. Daarna werden er miljoenen exemplaren van verkocht! Het boek is altijd in druk gebleven. Het werd een klassieker, die tot op de huidige dag op Amerikaanse middelbare scholen verplichte literatuur is. Er verschenen meer dan 60 vertalingen. In het Nederlands onder de titel: Als de natuur roept.

Het succes van het boek kan worden verklaard door een ongewone opzet: de goudkoorts wordt gezien door de ogen van Buck, een sledehond. De goudzoekers in dat onherbergzame gebied kregen te maken met een verschrikkelijk klimaat, waarin sledehonden uiterst waardevol waren. De gokverslaafde baas van Buck verkoopt de hond aan weinig zachtzinnige hondentrainers, die hem met knuppels africhten om hem daarna naar het koude noorden te sturen. Hier komt de sledehond in opstand en weigert verdere diensten. Een goudzoeker ontfermt zich over hem; de instincten van zijn voorouders worden geleidelijk, tijdens lange tochten door het woud, sterker en wanneer zijn baas door Indianen is vermoord, geeft hij toe aan een lokroep: hij sluit zich aan bij een troep wolven. Maar toch: een keer per jaar keert hij terug naar de plaatst waar zijn baas werd vermoord. En nog eenmaal huilt hij daar heel hard als eerbetoon aan een goede baas. Het gigantische succes van Call of the Wild vestigde Londons naam als schrijver.

Hij heeft er zijn leven ook alleszins naar ingericht: hij werd een uitermate productieve auteur, die in tijdschriften en boeken – 50 stuks maar liefst, terwijl de auteur maar 40 jaar oud werd – zijn mening weergaf over uiteenlopende onderwerpen als inkomensproblemen, carrièremogelijkheden, onderwijs, cultuur/religie/moraal van andere volken, liefdadigheid, huwelijksproblemen en echtscheiding. Dit laatste aspect kende de auteur uit persoonlijk ervaring: nadat hij op 24-jarige leeftijd trouwde met Elisabeth Maddern (‘Bess’) bij wie hij al gauw twee dochters kreeg, werd hij drie jaar later weer verliefd op zijn vroegere vriendin Charmian Kittredge, scheidde van zijn vrouw en trouwde met zijn vriendin, die tot zijn dood bij hem bleef. Van de talloze boeken die London schreef mogen er enkele niet onbesproken blijven. Met The Sea-Wolff (1904) sloot hij zich aan bij een aantal schrijvers van zeeverhalen als Edgar Allan Poe en Herman Melville.

In 1908 schreef de oude socialist in hem het boek The Iron Heel, een vernietigende aanklacht tegen het kapitalisme van zijn tijd en tevens een belangrijke bijdrage aan de ophanden zijnde economische revolutie. De kringen, die in hem – terecht-  het grote literaire talent van Californië zagen deden zijn  socialistische theorieën graag af als een gril van voorbijgaande aard. Maar dat deed niets af aan het feit dat hij – in het kader van de klassenstrijd – ook waarschuwde voor de gevaren van het fascisme. Het begin van de 20ste eeuw liet dat in zekere zin al zien.

In het voorjaar van 1913 was Jack London de bekendste en best betaalde schrijver ter wereld maar in weerwil van zijn verbluffende literaire productie kende de schrijver periodes van zwaarmoedigheid. Hij twijfelde dan aan zijn werk, aan het socialisme, aan de ranch die hij had laten bouwen, aan zijn vrienden, aan zijn met verve verdedigde recht op zelfmoord etc. Tijdens deze depressies, die hij voor iedereen verborgen probeerde te houden, dronk hij enorm veel, schold hij met dikke tong en zocht hij ruzie. Maar hij zou zichzelf niet zijn geweest als hij dit niet zou hebben opgeschreven en dat leverde de autobiografisch roman John Barleycorn op. Het werd een klassieker over het alcoholisme, zelfs zodanig dat het een van de leidende factoren werd waardoor in 1919 in de VS het algehele alcoholverbod tot stand kwam, de zogenaamde drooglegging.

In zijn laatste roman The Star Rover (1915) beschrijft London de ervaring van iemand die in een beruchte eigentijdse gevangenis was gemarteld. Er werd een beeld geschetst van het verschrikkelijke leven, zoals ooit beleefd door een ex-gevangene, die daarbij hallucinaties kreeg over dramatische episodes uit een verre geschiedenis. Deze verschillende periodes van het verleden boden de schrijver de gelegenheid om kritiek uit te oefenen op leven en moraal van de eigentijdse maatschappij.

Jack London overleed op 22 november 1916. Zijn dood schokte de VS én Europa. Omdat bewezen werd, dat hij kort vóór zijn overlijden morfine had gebruikt houden veel van zijn biografen het op een zelfmoord door een overdosis. Maar de betrouwbaarsten onder hen, waaronder één van zijn dochters achtten dat onwaarschijnlijk. Hij zat namelijk tot zéér kort voor zijn dood vol enthousiaste plannen voor nieuwe boeken, reizen en het kopen van uitbreidingsgrond voor zijn ranch. Men houdt het meer op uremie als doodsoorzaak, een gevolg van nierfalen. Biograaf Hans Dütting sluit zich hierbij aan. Hij concludeerde in zijn biografie terecht, dat toen later geraffineerder en meer gepolijste schrijftechnieken in zwang kwamen er voor een ‘ongepolijste’ schrijver als Jack London altijd een plaats zal blijven bestaan; zijn werk blijft springlevend.

 

Nieuwe film over Dylan Thomas

door Karel Wasch

 

Het is dit jaar 100 jaar geleden dat de beroemde dichter Dylan Thomas in Swansea in Wales werd geboren. Hoewel Dylan in Wales werd geboren sprak hij nauwelijks Welsh. De voertaal in zijn gezin was Engels en hij woonde in Swansea in een Engelse enclave van gegoede burgers en notabelen.

In Engeland en Wales wordt zijn geboortejaar uitbundig gevierd. Prince Charles las voor de televisie een gedicht van Thomas voor en in oktober worden overal festivals en opvoeringen georganiseerd. Under Milk Wood, zijn beroemde stemmenspel zal in meerdere steden worden opgevoerd en de British Mail kwam zelfs met een postzegel uit met Thomas er op.

De BBC doet nu een duit in het zakje en vertoonde 19 mei jl. de televisiefilm A Poet in New York. Als biograaf van Thomas was ik nieuwsgierig naar het resultaat en posteerde mij voor de buis. Er is veel positiefs aan deze film. Met een groot budget werd op locatie gefilmd. We zien prachtige beelden.  Laugharne, het plaatsje in Wales, waar Dylan met vechtgenote Caitlin de laatste 4 jaar van zijn leven doorbracht is poëtisch in beeld gebracht met een dansende Caitlin op de achtergrond. Ze was danseres.

De acteurs spelen formidabel, zo zien we Tom Hollander als een overtuigende Dylan Thomas, die schitterend voordraagt, en Essie Davis lijkt geknipt voor de aanvallende agressieve Caitlin. Ook de vileine literaire agent van Dylan, John Malcolm Brinnin, wordt trefzeker neergezet door Ewen Bremner. Er zijn flash backs van de jeugd van Dylan, zijn opkomende astma, de prachtige wandelingen langs de zee en er is een inkijkje in het gezin Thomas, waar vader trots is op zijn zoon, maar eigenlijk zelf dichter had willen worden. Niets aan de hand dus. Maar dan begint de ellende. De laatste tournee van Dylan Thomas door de Verenigde Staten van 19 oktober tot 9 november 1953 wordt uitvoerig in beeld gebracht. Bolle ijskasten, dikke Buicks, gele taxi’s, ze zijn er als een zoetsappig décor voor een onheilspellend drama. Deze laatste tournee door Amerika is weliswaar belangrijk in zijn leven, maar ze bestrijkt maar anderhalve maand. We zien Dylan – hij is dan al ziek- overgeven vlak voor een optreden, we zien hem aan een stuk door drinken, totdat de dood erop volgt. Drinken totdat we zinken, terwijl de dokter hem meermalen waarschuwt. En -last but not least- we zien een man die de controle over zijn gehavende leven volkomen kwijt is. De vrouwen komen en gaan. Ze hebben mislukte sex met de dichter, maar hij denkt alleen maar aan zijn vrouw, die hij in Wales heeft achtergelaten. De repetities van Under Milk Wood  in New York, verlopen stroef en de ontmoeting met Stravinsky komt niet tot stand. Dylan Thomas zou een tekst schrijven voor een opera, maar heeft geen letter op papier gekregen. Hij lijdt aan diabetes, een maagaandoening en heeft absences.

Ik weet het. Er moet tegenwoordig veel sensatie tussen de beelden, anders verslapt de aandacht. En die sensatie is niet ver te zoeken in het leven van de poet maudite. De Rimbaud van Wales, popster avant la lettre. Maar ik hoop dat de toeschouwer na het zien van deze film snel duikt in het werk van de getormenteerde dichter. En dan blijft ondanks alle excessen in zijn korte leven van 39 jaar een schitterend oeuvre over.

 

A Poet in New York

regie: Aisling Walsh
duur: 72 minuten
TV film BBC

Zo lang als voor altijd is – Karel Wasch

Het is dit jaar 100 jaar geleden dat Dylan Thomas (1914-1953) werd geboren in Wales. In Wales en Engeland wordt dat dit jaar uitvoerig gevierd. De BBC zal binnenkort een serie starten over de tournees door Amerika van Thomas. Tournees die uiteindelijk resulteerden in zijn dood op 39-jarige leeftijd.

In Nederland verschijnen bij uitgeverij Tiem zowel de Verhalen van Thomas als zijn biografie, Zo lang als voor altijd is.

Thomas is vooral bekend door zijn gedichten. In zijn vroege verhalen herkennen we de dichter – in de obsessieve verbeeldingskracht, het koortsachtige ritme en de donkere binnenwereld. Later wordt zijn schrijfstijl directer en toegankelijker. De verhalen die dat opleverde laten Thomas op zijn best zien: scherpe waarneming van simpele situaties met eeuwigheidswaarde.

In de biografie Zo lang als voor altijd is probeert auteur Karel Wasch de mens te vinden achter het masker van de dronkenlap, clown en poete maudit Dylan Thomas. Een aantal van zijn gedichten en korte verhalen werden klassiekers, waarmee hij zich een plaats verwierf onder de grote Angelsaksische auteurs van de 20ste eeuw. Hoe is het mogelijk dat een auteur, die zo getalenteerd was, zo’n puinhoop van zijn leven maakte? Karel Wasch, publicist, dichter en biograaf gaat in dit boek op zoek naar het antwoord.

Zo lang als voor altijd is wordt op 25 april a.s. uitvoerig besproken op Radio 6 in het programma OBA live van Theodor Holman. Holman gaat dan in gesprek met Karel Wasch. Wasch bezocht Wales, sprak met kenners van het werk van Thomas en bestudeerde voor zijn boek biografieën en handschriften. Het boek is verschenen in de Prominentreeks van uitgeverij Tiem.


Zo lang als voor altijd is
Het leven van Dylan Thomas ((1914-1953)

Auteur: Karel Wasch
Verschenen bij: Uitgeverij Tiem
Aantal pagina’s: 172
Prijs: € 19.95
25 april, Theodoor Holman intervieuwt Karel Wasch over Zo lang als voor altijd is. Aanvang: 19.00u, Radio 6 in het programma OBA live.

Verhalen

Auteur: Dylan Thomas
Vertaald en samengesteld door Bert Meelker
Verschenen bij: Uitgeverij Tiem
Aantal pagina’s: 204
Prijs: € 19.95

‘Bezie uw werk als de spaanders van de plank die ge had willen zagen.’

Tien jaar na het overlijden van Godfried Bomans
(† 1971) verscheen deze monografie als bijlage van Vrij Nederland, een jaar later in boekvorm. Nu, honderd jaar na de geboorte van Bomans, werd Jeroen Brouwers door uitgeverij Atlas Contact in de gelegenheid gesteld zijn boek nog eens tegen het licht te houden met het oog op een nieuwe druk. Jeroen Brouwers bezag zijn werk en zag dat het nog steeds goed was.

Op de vraag die hem indertijd gesteld werd wat hij in godsnaam had met Godfried Bomans, antwoordde hij: ‘Hij is familie van mij!!’ En niet alleen Jeroen Brouwers zegt schatplichtig te zijn aan Godfried Bomans, maar ook menig ander Nederlands literator erkent dat te zijn, bijvoorbeeld Harry Mulisch.  Zij roemen Bomans dan vooral om zijn grote stilistische kwaliteiten – ‘de nu en dan volmaakt schrijvende Bomans’ – , niet om wat hij schreef, dat beschouwen zij als ‘niet veel soeps’. Hierin schuilt iets tragisch. Bomans kon liegen alsof het gedrukt stond. Zo schijnt hij ooit op een feestje aan alle aanwezige dames zijn levensverhaal te hebben verteld en alle verhalen bleken volkomen van elkaar te verschillen. Dat gaf hij ook ruiterlijk toe: ‘De waarheid is wat ik ervan maak’.  De feitelijke toedracht der gebeurtenissen was voor hem niet interessant, het gaat om de ‘nieuwe waarheid’ die de verteller creëert.  In het creëren van deze nieuwe waarheid kwam Bomans echter nooit verder dan briljant vertelde flauwiteiten, ‘geslachtsloze schrijfsels’ zoals Gerard Reve zijn werk typeert.  Jeroen Brouwers weet dit tragische onvermogen van Bomans goed bloot te leggen zonder afbreuk te doen aan zijn gevoelens van respect en waardering voor Bomans. Na 1950 heeft Bomans geen boek van betekenis meer geschreven. Hij teerde eigenlijk nog slechts op de successen uit het verleden door zichzelf op allerlei spreekbeurten in den lande, op radio en later ook op televisie voortdurend te herhalen.  Bomans was populair, mateloos populair. Hij verloor het contact met de wereld van de literatuur en kwam steeds meer in de greep van ‘het droefmakend volk uit het Gooi dat verantwoordelijk is voor stupidisering, infantilisering, kunsthaat en smaakverpesting’. Bomans werd steeds eenzamer. Eigenlijk schuilt er in het beeld dat Jeroen Brouwers ons van Bomans schetst iets van de ondergang van een Klassiek Griekse held: briljant, door de goden zelf voorbestemd tot grootse daden en werken, op handen gedragen door het volk, maar ook geketend aan de draden van het lot en de tijd: de Moira, die zelfs de macht van goden te boven gaat.

Treffend is de vergelijking tussen Bomans en Reve, van wie wij hierboven al hebben laten zien dat hij niet veel ophad met Godfried Bomans. Brouwers grijpt op een knappe manier de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig door te laten zien dat, terwijl Gerard Reve, afkomstig uit een niet-katholiek nest, zich bekent tot de R.K. Kerk vanwege het daaraan verbonden ritueel en dat ritueel ook op provocerende wijze sublimeert, Godfried Bomans, diep geworteld in de ultramontaanse traditie van diezelfde kerk, zich manifesteert als een haast Erasmiaanse spotvogel van de ambtsdragers van die kerk en de aan hun ambt verbonden rituele handelingen, waarvan hij zich echter nooit zal kunnen losmaken.  Bomans reageert enthousiast op de uitspraak van Reve: ‘Het menselijk bestaan is een verschrikkelijke ziekte die onherroepelijk eindigt met de dood. Wat moet je nu doen? Je moet zèlf,  als leek,  poliklinieken inrichten waar je psychotherapie beoefent, en waar je allerlei rituele handelingen uitvoert die een bezwerende werking hebben en waardoor de mensen weer een paar etmalen het bestaan aankunnen. Dàt is de kerk.  En inzonderheid is dat een kerk, die niet theoretiseert over zonden en over korte rokken en zo, maar één die een mysterie opvoert zoals de katholieke kerk.’  Voor beiden wordt het ritueel steeds meer de werkelijke essentie van het geloof. Alleen waar Reve provoceert en dus shockeert, conformeert Bomans zich en verwordt zo, in de ogen van Jeroen Brouwers, tot de ‘Anton Pieck van het katholicisme’, al tijdens zijn leven de ‘personifiëring van het verleden’.

Bomans eindigt zijn leven eenzaam, weliswaar op handen gedragen door het kijkbuisvolk, maar uitgelachen door de literaire wereld, waartoe hij toch eigenlijk behoorde.  Jeroen Brouwers geeft weer hoe Harry Mulisch de beëindiging  van zijn vriendschap met Bomans als volgt beschrijft: ‘Kort voor Bomans’ dood stonden hij en Bomans per toeval, ieder in hun eigen auto, naast elkaar, in Haarlem voor een rood stoplicht te wachten. “Een tijdje zaten wij toen dom tegen elkaar te lachen, tot het licht op groen sprong; hij stak zijn hand op en sloeg rechtsaf. Ik moest rechtdoor.”‘ Zijn verblijf op Rottumerplaat, kort voor zijn dood, waar hij exhibitionistisch zonder kleren rondloopt, maar in zijn dagboek noteert: ‘Ik ben als de dood voor exhibitionisme van mijn diepere gevoelens’, geeft de tragiek van Bomans prachtig weer.  Jeroen Brouwers toont zich hier heel meelevend, want verontwaardigd door te zeggen dat het precies die angst is die Bomans heeft belet een groot schrijver te worden. Hij heeft zich uiteindelijk te veel laten coachen door ‘lulhannessen’ als Willem Duys en zijn coterie (blz. 148), die hem aanmoedigden ‘produktie’ te maken en te weinig door mensen die hem zouden kunnen aanmoedigen zich bezig te houden met zijn eigenlijke werk, nl. het schrijven van boeken. Doodziek en gek van eenzaamheid keerde hij terug naar de vaste wal om korte tijd later te sterven.

Over Godfried Bomans

Auteur: Jeroen Brouwers
Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
Aantal pagina’s: 192
Prijs: € 18,95

Nieuwe blik op dode dichter

Willem Kloos is hét protoype van de dichter. Gekweld, dronken en eenzaam. Vol van Grote Gevoelens, Hevige Hartstochten en Onvervulde Verlangens die zich in eindeloze stromen sonnetten en andere gedichten een weg banen. Willem Kloos (1859-1938) was de dichterlijke voorman van de paleisrevolutie in de Nederlandse letteren bij uitstek: de Beweging van Tachtig. Hij bezorgde in 1882 de eerste uitgave van de gedichten van zijn jonggestorven vriend Jacques Perk, die een nieuw tijdperk inluidden in de Nederlandse literaire geschiedenis en hij – Kloos – voorzag dit boekje van een programmatische inleiding. En ten slotte redigeerde hij vanaf 1885 meer dan vijftig jaar het tijdschrift dat spreekbuis der Tachtigers was: De nieuwe gids. Na drieste beginjaren vol van passie, originaliteit en overmoed ontpopte Kloos zich tot een levend fossiel van wat zo glorieus begon. En daarmee zat hij zijn eigen beeldvorming en nagedachtenis danig in de weg. Het is dus een mooie daad van eenvoudige rechtvaardiging dat aan Kloos’ leven en werk onlangs een biografie werd gewijd.

Het beeld van Kloos als gedoemd poëet c.q. dichtervorst is op het lachwekkende af herhaald in hagiografisch aandoende en inmiddels zeer gedateerde publicaties, zoals van Max Kijzer, K.H. de Raaf en last but not least van Kloos’ weduwe Jeanne Reyneke van Stuwe herself. Dit beeld wordt door Bart Slijper krachtig bijgesteld, allereerst door zijn focus op de enkele jaren van Kloos’ werkelijk belangrijke optreden in de Nederlandse letteren en ten tweede door Kloos zonder terughouding in al zijn deerniswekkendheid voor het voetlicht te brengen. Kloos’ zelfmoordpoging (met een broodmes) is wel een dieptepunt dat hier waarschijnlijk voor het eerst wordt opgedist (Jeroen Brouwers noemt in elk geval in zijn boek uit 1984 over zelfmoord in de Nederlandse letteren het geval Kloos niet).

Slijpers suggestieve beschrijving van het contact tussen de jeugdige dichters Kloos-Perk resp. Kloos-Verwey laat ruimte genoeg voor een 21ste eeuwse interpretatie van volledig geconsumeerd homoseksueel contact. Of daarvan echt sprake geweest is blijft vaag. Doet het ertoe en ‘willen wij dit weten’? Misschien niet, maar de ogenschijnlijk veelzeggende behandeling van dit even delicate als gewichtige onderwerp laat onduidelijkheid bestaan die de nieuwsgierigheid wel prikkelt maar niet bevredigt.

Slijper laat meer vragen van de lezer onbeantwoord: bv. hoe Kloos’ vrienden reageerden op zijn toch wel wat burgerlijke huwelijk. En we hadden ook wel iets meer willen weten over contacten van Willen Kloos met zijn vader, stiefmoeder, stiefbroer. Of waar Kloos van leefde. Of hoe Kloos m.n. in zijn zwartste jaren zijn zenuwziekte en alcoholverslaving wist te combineren met het redacteurschap van De nieuwe gids. Over de achtergrond van figuren als Witsen, Van der Goes, Gorter, Alberdingk Thijm, Paap hadden ook enkele aanvullende alinea’s kunnen zorgen voor meer reliëf en perspectief. Wie waren al die mensen, hoe kenden ze elkaar, etc. Nu blijven het toch passanten die af en toe fel belicht worden. Wie niet enigszins thuis is in de betreffende materie kan daardoor ook wel wat ‘tekort komen’.

Als er één woord van toepassing is op dit boek dan is het ‘impressionistisch’. De auteur Bart Slijper focust zeer sterk op een beperkt aantal levensjaren van Kloos. Die zijn zonder meer doorslaggevend of in elk geval relevant, zeker waar het zijn vriendschappen betreft (Slijper spreekt dikwijls van ‘liefdes’) met Jacques Perk en Albert Verwey. Maar het resultaat is toch ook: onevenwichtigheid. Bij sommige gebeurtenissen staan we zo ongeveer in de kamer om een en ander bij te wonen en mee te maken, door middel van langdurig uitgesponnen verslagen, levendig aangevuld met goedgekozen dagboek- en briefpassages. Anderzijds worden Kloos’ laatste veertig levens- en huwelijksjaren in enkele alinea’s afgedaan. Neutraler geformuleerd: dit is een journalistieke biografie. Slijper concentreert zich op wat ‘het belangrijkste’ is in Kloos’ leven, de rest is bijzaak – en blijft dus grotendeels buiten beeld.

Dit doet niet af aan het feit dat dit boek levendig en aantrekkelijk is. Het prijkt, zoals het hoort, met een aanzienlijk notenapparaat en verantwoording, maar de biografie is nergens zwaarwichtig of taai. De bronnen waaruit Slijper heeft geput zijn bovendien overvloedig, rijk, origineel en gevarieerd. Slijpers commentaar is hier en daar juist knap-laconiek (‘Dingen waren anders vroeger.’, p. 199) of aandoenlijk betrokken (‘Ach, Willem dan toch.’, p. 225; ‘De treurigheid van dit alles.’, p. 227). Ook scherp is Slijper soms in zijn bijna aforistisch aandoende kwalificaties: ‘Hij is gecapituleerd en heeft overwonnen’, p. 242.

Zoals gezegd: het bestaande beeld van Willem Kloos – als daarvan al iets was overgebleven – was eenzijdig, verouderd en ook niet helemaal rechtvaardig. Bart Slijper geeft met zijn levendige boek over deze dode dichter de lezer van vandaag een nieuwe blik. Het verhaal over ‘de mens’ Willem Kloos kan biograaf Bart Slijper niet leuker maken dan het is; de ‘figuur’ Willem Kloos verdient dit boek volledig. Slijper heeft Kloos ontdaan van literair-historisch aangekoekte ballast die het zicht op de reële betekenis van Kloos belemmerde. Namelijk die van katalysator van de Beweging van Tachtig en van een ‘nieuw geluid’ in de toenmalige Nederlandse letteren.

In dit gevreesd gemis.
Het leven van Willem Kloos

Auteur: Bart Slijper
Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker
Aantal pagina’s: 325
Prijs: € 24,95

 

Recensie door Hilde van Vlaanderen

Had het anders gekund?

Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Hij had een voorlopig manuscript liggen toen hij in januari 2012 overleed. Maria Vlaar, journalist en redacteur, heeft het manuscript gelezen en bewerkt. In haar nawoord geeft zij – gelukkig – een uitgebreide toelichting van het materiaal dat zij aantrof en hoe zij het boek vormgegeven heeft.

In dit nawoord schrijft zij o.a. Dat Van Dantzig aan het eind geen grip meer had op zijn tekst en dat zijn ‘driesporenbeleid’ geen goede greep was, bleek bij lezing al snel. Er zat goud in het manuscript verborgen, maar dat zou wel zorgvuldig uit het ruwe materiaal opgediept moeten worden. Dat was mijn taak en daarbij heb ik vooral, paradoxaal genoeg, hulp gekregen van de schrijver zelf. Door zijn prachtige roman Voor een verloren soldaat te herlezen, raakte ik opnieuw onder de indruk van zijn heldere, geciseleerde stijl en zijn gevoeligheid voor details.’ 

Van Dantzig kon dus wel degelijk schrijven. De vraag dringt zich op hoe voorlopig het manuscript was dat ze na zijn dood vonden. Hoeveel zou hij zelf nog geschrapt en bijgeschaafd hebben?

Vlaar heeft ruim een kwart van de oorspronkelijke tekst geschrapt, een indeling in hoofdstukken gemaakt en de verhaallijn chronologischer gemaakt. Met alle waardering voor haar consciëntieuze bewerking is er een boek uitgekomen, dat toch gemengde gevoelens oproept.

Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Dat heeft hij zeker gedaan. Maar dat niet alleen. Hij schreef ook een stuk balletgeschiedenis van Nederland. Hij beschreef ook de start van zijn eigen loopbaan. Daarnaast beschreef hij de ontmoeting met Sonia Gaskell, de lessen, de samenwerking, het gedeelde enthousiasme voor de dans, zijn bewondering voor haar tomeloze energie en doorzettingsvermogen. Maar vooral beschreef hij ook de verwondering, het ongemak, het vaak terugkerende onderlinge onbegrip. ‘Gaskell kon een schaduw over onze levens laten vallen of een felle lichtstraal op ons richten, ons opzwepen, deprimeren, verhelderen of versomberen, hoopvol laten zijn of diep zwartgallig. Ze kon ons ons nietige schepsels doen voelen en soms liet ze ons dat ook zo ervaren. Gaskell was onze ochtend en avond, in die tijd. Donker en licht. (pag. 163) (Maria Vlaar had nog wel meer mogen schrappen).

Het boek geeft een beeld van een gedreven, soms niets ontziende, vaak wispelturige vrouw die maar één doel voor ogen had: een uitstekende balletopleiding en daaruit voortvloeiend een professioneel corps de ballet. Enerzijds wilde iedereen les bij haar hebben, anderzijds werd er gemopperd over haar strenge optreden. Nu eens koesterde zij haar favoriete leerlingen, dan weer werden ze geschokt door onverwachte beslissingen. Die voortdurende wisselingen in stemmingen, in reacties over en weer heeft Van Dantzig goed beschreven. Zo goed, dat je al lezend ook boos wordt, maar ook denkt: ‘waarom kon niemand op redelijke wijze met deze vrouw omgaan?’ Waren het karakterverschillen of ook cultuurverschillen?

Het hoofdstuk, dat Rudi van Dantzig aan de levensloop van Sonia Gaskell wijdt is nogal feitelijk opgezet, heeft weinig kleur. Dit zal mede veroorzaakt zijn door het feit, dat zij vermoedelijk zelf weinig heeft losgelaten en hij meer van haar zus gehoord heeft. Toch ontstaat de vraag, of hij als leerling en later collega wel voldoende afstand had om dieper door te vragen, door te zoeken. Bij veel biografen, die niet zo verbonden zijn met de persoon over wie zij schrijven, zie je toch vaker meer inkleuring. Juist die afstand creëert dan de mogelijkheid om dichter bij de persoon te komen.

Het boek is interessant voor mensen, die willen lezen over de ontwikkelingen in de Nederlandse balletwereld. Het biedt echter vooral een boeiend inkijkje in botsende karakters en de onmogelijkheid om tot elkaar te komen, terwijl er toch een gezamenlijke wereld is. Hoe tragisch was het uiteengaan na een inhoudelijk conflict, waarbij mevrouw Gaskell ogenschijnlijk de grote verliezer is en alleen achterblijft. Zeker, het is duidelijk dat Rudi van Dantzig gekweld werd door alle misverstanden en bleef schommelen tussen bewondering en verwondering. Misschien komt er ooit een biografie, zowel over Rudi van Dantzig als over Sonia Gaskell. Maar op de vraag, of het niet anders had gekund, zullen we wel nooit een antwoord krijgen.

 

Herinneringen aan Sonia Gaskell

Auteur: Rudi van Dantzig
Redactie en van een nawoord voorzien door: Maria Vlaar
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Aantal pagina’s: 360
Prijs: € 24,95