Elsie

Een boek kan aan betekenis verliezen door een achteloze opmerking van de schrijver van dat boek. Dat de interpretatie van die achteloze opmerking zeer persoonlijk is, ligt voor de hand. Ik wil, en ik weet ook niet waarom, of het moet zijn dat ik worstel met teksten, dat schrijven a hel of a job is. Als een schrijver achteloos opmerkt dat hij een boek, dat ik met bewondering heb gelezen, in exact 90 dagen geschreven heeft, is voor mij de romantiek eraf en daalt mijn waardering voor dat boek. Ja, beetje belachelijk eigenlijk. Maar goed, onlangs zag ik Jeanette Winterson op een stormachtige vrijdagavond. De wind joeg langs de ramen van de oude Lutherse kerk aan het Spui waar de trams met ijzeren regelmaat voorbij jengelden. Binnen was het cosy and warm. Winterson stond klein en felbesnaard onder het spreekgestoelte, de kerk was vol. Ze was het wel gewend, zei ze, kerkpubliek als gehoor.

Als lagere schoolkind schreef ze al gepassioneerde diensten waarmee ze zelfs zieltjes won. Nu sprak ze van anarchie en van perfect days (even daarvoor had Lou Reeds Perfect day door de kerk geklonken). Ze sprak van moeders, echte en aangenomen en hoe ze in haar debuutroman, Sinaasappelen zijn niet de enige vruchten, Elsie erin had geschreven omdat ze iemand naast zich wilde. Ze liet het zich achteloos ontvallen. Haar woorden reikten, even achteloos, tot achterin de aula, waar ik met mijn rug tegen de muur zat. Zo simpel kan een verhaal dus aan inhoud winnen. Winterson bracht Elsie als een noodzakelijke aanwezigheid.  Ze had Elsie erin geschreven ‘because I needed some one next to me’. Alsof ze, schrijvende aan haar werktafel, om zich heen had gekeken, Elsie zag aankomen en haar mee nam haar verhaal in. Als een hand die je zoekt om steun te vinden wanneer je afdaalt in een duistere kelder. Een hand om in te knijpen als het leven pijn doet. Ze had een Elsie nodig opdat ze als schrijver haar kon laten zeggen ‘dat verhalen je hielpen om de wereld te begrijpen’.

En om de sinaasappelen – het enige fruit dus dat haar moeder haar liet bezorgen toen de Jeanette uit het boek in het ziekenhuis lag – te delen met haar. Om met Elsie van de sinaasappelschillen een iglo te bouwen op de dekens van het ziekenhuisbed. Zonder Elsie zou het kind Jeanette in het boek in zichzelf opgesloten zijn gebleven. Doordat ‘because I needed some one next to me’ zag ik de kwetsbaarheid van een schrijver die aan alle kanten uitstraalde ‘ik heb niemand nodig’. Later werd ze geïnterviewd maar ze verdroeg de vragen niet. Ze kapte af, zei dat het genoeg was, de interviewster fronste haar wenkbrauwen.  De schrijver had al zoveel gezegd het moest maar eens klaar zijn. Het was confronterend maar ze miste een Elsie naast zich. En ach, missen we niet allemaal een Elsie die ons vorm en volume geeft?

 

 

Het graan, de republiek en het geld


‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was. De mensen hier waren arm, straat- en straatarm. En weet u hoe dat voelt?’

Hij verwacht geen antwoord en gaat zitten op een bankje bij de Reiderhoeve, een informatiecentrum over dit gebied. Over de Dollard, de Wadden en de polders die een hoofdrol spelen in het boek van Frank Westerman. Hij draagt een schort, niet dat van een kok maar meer van iemand die vuil werk doet. Hij vertelt dat elke strook land die aanslibde voor de eigenaar was. ‘Rijkdom verkreeg je per opstrekkende meter, meneer, en dat waren heel wat meters.’ Hij glimlacht en overdenkt wat hij net gezegd heeft.

‘Het is niet zo mooi als het lijkt, meneer. De herenboeren, vaak hoogopgeleid, bij een aantal van hen heeft de klei nooit onder hun nagels gezeten, die dronken thee met hun pink in de hoogte en lieten huizen bouwen waar nu nog iedereen zich aan vergaapt.

Schoonheid, noemen we dat. Maar wat mooi is, is misleidend. Dat zei ik al, geloof ik. En dan gingen een aantal herenboeren in het geniep op cursus en vervreemdden zich van waar ze vandaan kwamen. En weet u wat de stad was waar ze naartoe gingen om bij te leren? Moskou meneer, op vijfjaren-plannen-les, ja zo heette dat, bij Stalin gingen ze op les. Dat vinden we nu toch lichtelijk krankzinnig.’ De man veegt met de buitenkant van zijn hand zijn snor af.

Ik moet denken aan een scène uit De graanrepubliek waarin Frank Westerman op bezoek gaat bij een zekere Koert. In 1970 werd die de eerste CPN-gedeputeerde in de provincie Groningen. Westerman staat voor zijn boekenkast. ‘Zoek je Das Kapital?’ vraag Koert. ‘Dat heb ik in het Duits. Het is mijn bijbel.’
De man lijkt na te denken. Ik vertel hem dat ik onder de indruk ben van de lage horizonnen, de hoge luchten en de boomgroepen rond de hoeven. ‘U zei bomen, meneer? Elke boom moest weg. Ja echt, elke boom. Alleen die een praktisch nut hadden bleven staan. Wel handig bij dikke mist, je wist dat bij de derde boom jouw land begon.’

We praten over de visserij. Dat wat hier nog aan visstand was door de aanleg van de Afsluitdijk in de war gegooid werd. ‘Niets dan armoede. Elke dag maar duwen tegen de slikslee om de vangst uit de netten te halen.’ De opkomst van Delfzijl werd de redding, veel mensen kregen een vaste baan. ‘Maar toen kwam de crisis, meneer. Fabrieken moesten sluiten, de werkloosheid spoot omhoog.’

Onverwacht staat hij op. Met een armgebaar relativeert hij alles wat hij zonet gezegd heeft, lijkt het. Hij recht zijn rug. ‘Ja het is een mooi boek, meneer, een mooi boek.’ Hij wijst naar boven, daar is een uitkijkpost op het dak van het informatiecentrum. ‘Daarbinnen is een trap,’ zegt hij terwijl hij zijn handen aan zijn schort afveegt. ‘Daar kunt u rondkijken over het landschap, over die enorme ruimte. Het waait nu lekker, dan wuift het graan. Iets mooiers vind je niet.’

 


Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

 

foto’s: Anneke van Kroonenburg

 

 

Een stom gedicht

Het was in de Renaissance een van de meest geliefde bezigheden van Leonardo da Vinci en Michelangelo: een partijtje artistiek worstelen om te bepalen welke kunstvorm het belangrijkst was. Schilderkunst, beeldhouwkunst, of toch de poëzie? Waarbij de laatste geen hoge oogen gooide, ondanks de vaak geciteerde Simonides, die poëzie een sprekend schilderij en een schilderij een stom gedicht noemde. Maar dit kon niet voorkomen dat de poëzie het aflegde tegen de beeldende kunsten. Zoals bij Leonardo, die de schilderkunst de ‘moeilijkste wetenschap’ noemde, ‘die met de meeste waarachtigheid de werken der natuur kon weergeven’.
Ik moest aan deze wedijver tussen de verschillende disciplines in de kunsten denken, toen ik tijdens beeldhouwles aan een nieuw project begon. Het zou nu eens niet de zoveelste vrouwenfiguur worden, maar een kudde nijlpaarden in het water. Ik had zo’n  in brons gegoten kudde in de etalage van een kunstgalerie zien staan en was meteen verkocht.

Nu valt het ‘waarachtig weergeven van de natuur’ in de praktijk tegen. Althans in mijn geval. Zelfs een prachtige foto van een kudde badende nijlpaarden van Frans Lanting als inspiratiebron mocht niet baten. Ik kon de klei maar moeizaam in het keurslijf dwingen dat ik voor ogen had. Mijn gedachten dreven regelmatig af en ik begon mezelf af te vragen waarom in de beeldende kunst de natuur zo opgehemeld wordt en in de geschreven kunst niet. Want laten we wel wezen, waar in de beeldende kunst de natuur de hoofdrol kan opeisen, is dat in de literatuur haast nooit het geval. De IJsbeer van François Pompon of De bedreigde zwaan van Jan Asselijn kent in de literatuur geen evenknie. Natuurlijk komt ook in boeken natuur voor, maar altijd in een bijrol, als achtergrond voor het verhaal van deze of gene mens. Ja, zelfs als je denkt dat in een boek natuur de hoofdrol speelt, zoals in Waterschip Down van Richard Adams, Animal Farm van George Orwell of Barkskins van Annie Proulx, blijkt die literaire natuur vaak niet meer dan een vrijbrief om het toch weer over de mens te hebben, in al zijn onhebbelijkheden.

Nee, in literatuur is de natuur altijd bijzaak, dus waarom zou ik me daar zo druk om maken? Kon ik toch niet beter weer een menselijke figuur gaan maken? Terwijl ik aan het einde van de les mijn eerste poging nog eens goed bekeek begon ik een beetje mee te voelen met Simonides. Mijn eerste beeldhouwpoging van een kudde nijlpaarden was niet verder gekomen dan een stom gedicht. Maar ik geef het nog niet op. Want de waarachtigheid in de natuur wil ik blijven zoeken. Volgende week is er weer een les. Eens kijken of ik dan wat poëzie uit de klei kan halen.

 

 

 

Een wandelaar

Soms moet je tot middelen overgaan die je eerder wantrouwde. Niet alleen een goed boek scherpt de geest maar ook meer pit in het eten kan de boel wakker schudden. Dus voegde ik deze week een stukje gele peper, Madamme Jeannette aan de pompoensoep toe. En terwijl ik Madamme Jeanette erdoor roerde dacht ik aan mezelf als een wandelaar en fietser. Waar die gedachte vandaan kwam kan ik niet verklaren, maar met de gedachte kwam het besef dat het maanden geleden was dat ik verder had gewandeld dan naar de buurtsuper om de hoek en dat het weken geleden was dat ik had gefietst. Zo hield ik mezelf door een gedachte in stand. Na de soep sprong ik op de fiets en stopte pas in een stadje aan de IJssel waar ik me op een terrasje zette met Godin, held van Gustaaf Peek. Onderwijl noterend wat zoal om me heen gebeurde in een klein zwart (nee, geen moleskine) boekje.

Op het vrijwel lege terras zaten een man en een vrouw met een glas bier voor zich. Beslist geen Tessa en Marius, het stel uit Godin, held. Dit echtpaar had zijn beste tijd gehad gezien hun zwijgzaamheid. ’s Avonds was er in het stadje aan de IJssel niets te beleven, de straten waren verlaten. Je zag de verslagenheid van eeuwige pech op hun schouders rusten. Wel keken ze geregeld achterom, naar waar ik zat, en opzij naar het terras van een nabijgelegen eethuisje. Ik keek met ze mee naar dat naastgelegen eethuisje. Het was daar aanzienlijk drukker. En hé, er zat een uitgever uit Amsterdam. Het omgekeerde van wat Van der Laan in Zomergasten had benadrukt ging door me heen; kleine steden zijn ook van Amsterdammers. De uitgever zat aan een tafeltje met een oudere man met wit haar die wel wat weg had van de schrijver waarmee Adriaan van Dis ooit in de clinch lag in zijn programma ‘Hier is Adriaan van Dis’, maar dan een vriendelijker versie daarvan.

Terug naar het echtpaar voor me. Ik schreef in het kleine boekje dat ze het ‘zwijgen tot communicatie verheven’ hadden. Toen kwam de gedachte ontdekt te worden – zoals een zanger in het park of op een steiger al zingend ontdekt wordt – door een schrijver van een belendend terras. Dat het geluid van je pen over het papier en het gedreven ritme van het schrijven hem influisterden dat hier iets gebeurde wat niet onopgemerkt mocht blijven. Dat hij vroeg te mogen lezen wat je daar zoal opschreef want hij was een expert in het ontdekken van echte schrijvers. Ondertussen at de schrijver – die vertaler bleek van een bekend Russisch schrijver – van een zoutloos gerecht, zoals de serveerster zijn bestelling noemde. Ik dacht aan hoge bloeddruk en dat het beter is geen zoethoutthee te drinken al wilde ik hem daarvoor niet waarschuwen. De enige drank die de vertaler gebruikte was rode wijnsaus over zijn steak. Wellicht om er wat pit aan te geven.

 

 

Tesseltje

Het is een kleine tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar maar mijn fantasie ging meteen met me op de loop. Dichter bij Maria Tesselschade heet de expositie met ‘nieuwe vondsten van een bewogen leven’, zoals de ondertitel luidt (tot en met 29 oktober a.s.). Met z’n drieën lagen ze in ’t midden: een mooi schoentje, fragmenten van een door haar gegraveerd glas en een diamanten ring. Allemaal gevonden in de beerput van het perceel in Alkmaar waar Maria Tesselschade Roemer Visscher (1594-1649) na haar huwelijk woonde. De schok kwam op ’t laatst: een flintertje perkament met een tabulatuur, de muzieknotatie voor een tokkelinstrument.

We weten dat Tesseltje cister speelde, een soort platte luit met frets en metalen snaren. Caesar van Everdingen maakte een schilderij van zo’n cister spelende vrouw, dat dateert uit dezelfde tijd als waarin Maria Tesselschade leefde. De vrouw die de cister bespeelt, heeft net zulke pronte blote borsten als de drie engelen onderaan het rugwerk van het orgel in de Grote Kerk van Alkmaar, die ook in dezelfde tijd werden gesneden. Zo rol je van ’t een in ’t ander. Het bijschrift bij het stukje perkament luidt: ‘Wellicht heeft zij deze compositie in haar huis in de Langestraat gespeeld.’ Ja, wie weet. Maar wat als ze dit stukje zelf zou hebben gecomponeerd? Dan ontstaat er pas een volledig beeld van een vrouwelijke uomo universale, een renaissance-vrouw die veel kende en kon.  Maria Tesselschade kwam uit de geletterde Amsterdamse familie Roemer Visscher en groeide op in een mooi gebouw aan de Geldersekade, waar een plaquette aan de buitenmuur aan herinnert. Ze graveerde glazen, dichtte, kon goed tekenen, borduren en zingen en speelde naast de cister nog meer muziekinstrumenten.

Beroemde tijdgenoten zoals Vondel, Huygens en Barlaeus, waren onder indruk hiervan – en van haar uiterlijk. Waarom zou ze ook niet hebben gecomponeerd? Dat zou toch zomaar kunnen? Ik denk dat het dan een beetje in de stijl van Sweelinck zal zijn geweest, die ze ongetwijfeld in de Oude Kerk heeft gehoord, op een steenworp afstand van de Geldersekade. In deze kerk ligt zij ook begraven. Ik ben niet de eerste die zo lekker aan het fantaseren slaat; Ro van Oven schreef een meisjesroman over haar waaraan ik de titel van deze column ontleende: Tesseltje. Volgens een recensent in De residentiebode (1 december 1939) is de hoofdpersoon van dit boek een echte vrouw, ‘ondanks haar (voor dien tijd) vrije opvoeding.’ Want, meent de recensent van het Algemeen Handelsblad van een dag later, het levensverhaal geeft ‘onze jonge meisjes (…) een kijk op het huiselijk leven in vroeger dagen.’
Ik denk dat – hoewel mijn bibliotheek het heeft en het ook nog antiquarisch is te verkrijgen – ik dit gedateerde boek maar niet ga lezen en liever verder droom aan de hand van een flintertje perkament dat zóveel oproept.

 

 

 

 

Jerry

De nieuwe jongen in onze klas heette Jerry. We waren veel gewend, maar geen Jerry. Jerry was zwart, maar dat was niet het belangrijkste. Jerry kon zijn bovenste oogleden binnenstebuiten keren. Voor hem was dat een fluitje van een cent. Ons lukte het never nooit. Terwijl hij het vaak genoeg in slow motion voordeed. Jerry was ook degene die revolutionaire knikkertechnieken op het schoolplein introduceerde, waarvan ‘duimpje druk’ de meest ontwrichtende was. Er schoten heel wat duimen uit de kom voordat Jerry voor de eerste keer door één van ons op zijn discipline werd verslagen.

Toen ik afgelopen zomer op het voormalige schoolplein stond – van school en plein ontbrak elk spoor, alles was gras – dacht ik geen moment aan Jerry, maar hij schoot me onmiddellijk te binnen toen Osei Kokote zijn opwachting maakte in Nieuwe jongen van Tracy Chevalier. Osei – [O-see-ie] – is diplomatenkind en gewend om steeds opnieuw te moeten beginnen. Hij is inmiddels toe aan zijn vierde school, in dit geval een witte in Washington. Op de eerste schooldag gebeurt er veel: hij valt in de smaak, en is ook meteen het middelpunt van een hetze. In no time is de klas in kampen verdeeld en eist de een na de ander een rol op in een complot met min of meer dodelijke afloop. Het lijkt wel een Shakesperiaans drama, en dat is het ook. Nieuwe jongen is Othello in een nieuwe jas.

Tracy Chevalier is de vijfde schrijver die zich in het kader van The Hogarth Shakespeare aan een van Shakespeare’s toneelstukken waagt. Ook aan haar de schone taak om heel veel poppetjes een plek te geven. Want daar ontkom je niet aan als je Shakespeare her-vertelt. Als baas van het spul voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn spelers. Daardoor zijn zijn stukken soms behoorlijk overbevolkt en niet altijd even functioneel ingewikkeld.
Omdat ze haar opdracht goed begrepen heeft en Shakespeare recht wil doen, kan Tracy Chevalier niet anders dan kiezen voor een omgeving die meer dan één hoofdrol, een heleboel bijrollen en het nodige gedoe garandeert. Een school in tijden van racistisch turmoil is dan het ideale decor.

Terug naar Jerry die, realiseer ik me nu, geen Jerry maar Albert heette. Er zat wel een Jerry op school, maar die had Molukse wortels (en een broertje: Tommy). Ook Albert wachtte een eerste schooldag, maar onze school was minder wit dan die van O-see-ie in Washington. Wij wisten allemaal wat het was om ergens anders opnieuw te moeten beginnen, al waren onze vaders geen diplomaten maar soldaten die met de regelmaat van de klok overgeplaatst werden. En toch keken we op van Albert, die godzijdank niet bang was. Hij moet geweten hebben dat hij met zijn binnenstebuiten oogleden en knikkervaardigheid troeven in handen had.

 

 

Klein en lokaal

Tegenwoordig laven wij ons aan het grote, het internationale, het mondiale. Ook ik maak me daar veelvuldig ‘schuldig’ aan. Dat werd mij weer eens duidelijk toen ik van de zomer met vrouw en dochter op het Griekse eiland Lefkas verbleef. Op het terras van een restaurant aan een prachtige baai bestelden we iets te drinken. We wilden wat zoetigs, iets van Fanta of Sprite. De restaurateur wees ons op een lokale drank die wel wat weg had van Sprite. Het smaakte zacht zoetig, een prettig drankje. Waar we ook kwamen nadien, vroegen we om Lous, het lokale drankje dat ons even bij de Grieken deed horen. Het voelde, naast de prettige smaak, ook goed om kleine initiatieven en merken te steunen. Dat zouden we vaker moeten doen, dacht ik. Het bevordert de lokale economie: door die impuls en stimulans en oplopende consumptie, ontstaat dan hopelijk een variëteit aan lokale smaken waaruit wij als consument kunnen kiezen. De lokale bierbrouwerijen varen in ons land al wel bij deze ontwikkeling. Laten we dan ook de kleine boekhandel weer eens vaker bezoeken, zeg ik.

Zo loop ik geregeld bij boekhandel Minotaurus, vlakbij de Amsterdamse Nieuwmarkt, binnen. Benieuwd naar welke nieuwe, kleine publicaties die ze me kunnen aanbieden. Uitgaves die je niet zomaar elders of in een reguliere boekhandel kunt vinden, maar gelimiteerd uitgegeven titels, door kleine drukkers, op een handpers gemaakt, in oplages van 10 of 25. Het liefst genummerd en gesigneerd door dichter, tekenaar of drukker.
Hans van Daalen, de mede-eigenaar van Minotaurus en bibliofiel in hart en nieren, schoof Stroom en Woud onder mijn neus. Voltreffer. Gedichten van de Oost-Duitse schrijver Johannes Bobrowski (1917-1965), vertaald door de Nederlandse dichter C.O. Jellema (1936-2003). Gedrukt door René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx in een genummerde oplage van 65 exemplaren.

De thematische verwantschap met bijvoorbeeld Armando is aanwezig, het verleden dat in het landschap huist. De stijl is zeker lyrischer, maar de toon is eveneens donker en refererend aan oorlog, verlatenheid, vluchtigheid en verlies. Met ook nog de laatste publicatie van Léon Hanssen over Mondriaan van uitgeverij De Buitenkant in de tas, liep ik tevreden naar buiten.

’s Avonds keken wij uit/ op een stenig dal. De havik zweefde/ rond de brede koepel./ Zagen de stad, oud, wirwar van huizen/ omlaag tot aan de rivier./ Zul je over de heuvel/ gaan? De grauwe kolonnes/ – grijsaards en dikwijls de jongens -/ sterven daar. De helling/ lopen zij op, voor de jakkerende wolven uit. (Uit: gedicht Kaunas 1941 van Bobrowski). Stroom en Woud van Johannes Bobrowski, te koop voor 35 euro bij Boekwinkel Minotaurus te Amsterdam  bel 020-6227748 of stuur een email naar minotaurus@xs4all.nl.

 

 

Kunst

Op een van de laatste mooie avonden van augustus zat ik op de Place Général de Gaulle in Lille aan het bier toen uit de Rue Neuve het geluid aanzwol van trommelaars. Om de hoek verscheen een groep van ongeveer honderd betogers, bijna allemaal Afrikanen zo te zien. Ze scandeerden een leuze die ik niet goed verstond, maar het spandoek dat ze meedroegen maakte duidelijk dat ze clementie eisten voor migranten zonder papieren. Vrijwel meteen vroeg ik me weer af of de mensen die over hun hart zouden moeten strijken zich daar ook maar iets van gaan aantrekken. ‘Weer’, want eerder die dag had ik hetzelfde toen ik op het Kunstenfestival in Watou, in de brouwerij had gesteaan voor Ceinture à Munition van de Palestijnse migrant Taysir Batniji: een munitiegordel waarin alle kogels waren vervangen door scherp geslepen potloden. Het beeld van pen in plaats van wapen is vaker gebruikt, onder andere in spotprenten, maar toch raakte het me opnieuw. En juist die herkenning van dat beeld riep bij mij tegelijk machteloosheid op. Welke wapenhandelaar, terrorist of belligerente malloot wordt hierdoor tot bezinning gebracht?

Ik herken mijn gedachten uit eerdere situaties. De prachtige novelle Al te luide eenzaamheid van Hrabal gaat over de papierpletter Haňt’a, die uit de bakken oud papier die in zijn kelder worden gestort alle wijze boeken redt. Hij heeft het gevoel dat hij zich, al lezend, ‘in het diepste hart van de waarheid’ bevindt. Stinkend naar het afval gaat hij elke avond naar huis, ‘maar ik ben één en al glimlach, want ik heb boeken in mijn aktetas waarvan ik verwacht dat ik daaruit ’s avonds iets over mezelf te weten zal komen wat ik nog niet weet’. Dat is de kracht van kunst, die ik herken. Maar bereikt die ook de lieden die het voor het zeggen hebben?

In het kabinet Rutte I hakte Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Destructie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zo met de botte bijl in op de kunsten dat hij voor mij de ultieme papierpletter is die ’s avonds naar huis gaat met een aktetas zónder boek, omdat hij zich er wel voor hoedt iets te weten te komen over zichzelf dat hij nog niet weet. Ik denk dat ik er niet ver naast zit als zijn vakliteratuur bestaat uit De Telegraaf en het clubkrantje van de VVD en dat hij tijdens zijn vakanties hooguit met een spannende detective vergetelheid zoekt. Zijlstra c.s. denken er nu nog steeds zo over. Maar er is hoop. De kracht van kunst is niet alleen wát ze te zeggen heeft, maar ook dat ze zich steeds weer opricht. In dezelfde novelle van Hrabal zegt Haňt’a dat alle boekverbrandingen tevergeefs zijn geweest: ‘als die boeken iets zinvols te melden hadden, dan kon je ze op de brandstapels in hun vuistje horen lachen, want een degelijk boek verwijst altijd ergens anders heen en naar buiten.’ Ga door, Batniji! Lees eens een boek, alle Zijlstra’s. Onderga kunst!

 

 

 

Hoop en leven

Toen bekend werd dat schrijver Renate Dorrestein ernstig ziek is, was ik bezig in twee boeken. Het een, 99 stories of God van Joy Williams, is een bundel die precies doet wat het belooft: negenennegentig zeer korte verhalen, variërend van twee pagina’s tot twee regels, waarin het zoeken naar god is. Soms komt Hij letterlijk aan het woord, soms sluimert er iets op de achtergrond, de verhalen lezen als literaire ‘Waar is Wally’s’s. Zo bestaat er een verhaal alleen uit de zin, ‘When God abandoned the Aztecs, He turned their chocolate trees into mesquite’. Bijzonder is niet alleen het gebrek aan paginanummers, maar ook dat de titel onder het verhaal staat, waardoor het gelezen verhaal postuum een ander licht krijgt.
Ondertussen las ik weer een Coupland. Waar ik dacht alles van hem te kennen, bleek dit bij nader inzien niet zo te zijn, wat voelde alsof verlate verjaardagscadeautjes een voor een binnenkwamen en geduldig wachtten tot ik ze uitpakte. Ik kocht Girlfriend in a coma in vertaling en lang na de laatste bladzijde dacht ik nog over het hysterische einde na. Misschien is dit boek Couplands meest religieuze roman, een uitspraak waar ik uiteraard voorzichtig mee moet zijn, maar het komt door het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden.

Rudy Kousbroek, nog zo’n favoriet, geloofde heel stellig niet in God nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dieren niet naar de hemel zouden gaan – een gedachtegang waar ik volledig in mee ga, al ga ik er vanuit al mijn vorige huisdieren na mijn overlijden weer te zien, evenals mijn oma’s, opa en iedereen die er niet meer is. Toch kreeg ik bij het lezen van Kousbroeks essays heel sterk het vermoeden van een religieus denker: iemand die erg aansloot bij de wezens en de wereld om hem heen. Is dat niet ook geloven, je verbonden voelen met dat wat – of hen die – je niet kunt verklaren?
Dorrestein bleef maar in mijn hoofd zitten.

Sommige schrijvers, zoals Grunberg en Houellebecq, werken vanuit een idee en alles staat in functie van dat idee. Anderen schrijven vanuit het personage. Stephen King bijvoorbeeld plaatst zijn personages in extreme omstandigheden en kijkt dan hoe ze reageren. Ook Renate Dorrestein is zo’n schrijver. Als vroege lezer kwam ik erachter dat de methode personage, om het zo maar even te noemen, mij het meest aanspreekt – misschien vanuit het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden. Dat laatste is iets waar Dorrestein, met of zonder gebruik van ironie in haar proza, in excelleert.
Ik heb 99 stories nog niet uit, dagelijks lees ik enkele verhalen. Schrijft Williams vanuit het idee of vanuit haar personages? Ik weet het niet zeker, al sluit ik duidelijk ergens op aan. Met regelmaat blader ik terug, misschien zoek ik wat Dorrestein al blijkt te hebben gevonden. In een interview zegt ze: ‘Alle geloof is hoop, hoor.’ Hoe heetten die twee prachtige romans van haar ook alweer? O ja: Zolang er hoop is en is er leven.

 

 

Onzichtbaarheids-waanzin

Vanuit het kleine kader onderaan de voorpagina van de krant keek de schrijver me aan. Licht ironisch glimlachend waarbij het scheef gehouden hoofd een koketterende onbezonnenheid suggereerde. Hij keek met een blik van, ‘kom maar op en ik maal er niet om’. Daar kon ik me wel mee vereenzelvigen, met die houding. Al zou er beweerd worden dat de boeken – die hij  schreef onder de naam waarmee hij in 1943 in het geboorteregister van Saviano werd ingeschreven – door zijn vrouw geschreven zouden zijn, dan zou hij dat noch bevestigen, noch ontkennen, zo zag hij eruit op dat fotootje ter grote van een pasfoto. Je mag zeggen wat je van me vindt, me de duimschroeven aandraaien (wat de uitgever een beetje deed met het plaatsen van dat fotootje met de tekst: ‘De literaire sensatie uit Italië’) maar het doet me niks.

Het is behoorlijk sensationeel om ontmaskerd te worden als schrijver van de succesvolle Napolitaanse romans. Maar wat, als je het wel bent. Waarom zou je het toegeven, je hele wereld die je rondom je andere zelf hebt opgebouwd, zal instorten. Dat wil je toch niet? Ik begrijp dat wel, van een eenmaal ingeslagen weg kom je nu eenmaal niet snel terug. Dat zit niet in onze natuur. En daarbij, wie heeft geen eigen pseudoleven? Nooit iets in je zak gestopt terwijl je bij een vriendje speelde, of een boek van je beste vriendin, dat ze zelf nog niet eens gelezen had ongevraagd geleend? Ik  heb wel eens, in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin, bij een uitgeverij een boek uit de kast getrokken en bij me gestoken. En dat je dan thuis niet weet wat je ermee aan moet, dat je het dan maar verdringt. Schrijvers en lezers zijn toch rare mensen.

Dus als iemand al meer dan een decennia gelooft dat hij een vrouw is die boeken schrijft over twee vrouwen waarvan de lezer denkt dat het wel autobiografisch moet zijn, dan zou ik dat maar zo laten. Zelf wist je ook niet hoe dit zou aflopen, en van iets wat je niet weet, daar zeg je al gauw ‘nee’ tegen. Dus dan zeg je: Ik. Ben. Het. Niet. zoals de schrijver op het pasfotootje op de voorpagina van de krant. En dat geloof ik wel, dat je zegt die iemand niet te zijn, want je bent die persoon niet. Je deed maar wat in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin. En hoe je dit thuis nu weer moet verantwoorden.  Je vrouw, waartegen je tientallen keren hebt gezegd dat je geen weet hebt van geen enkel pseudoniem. Terwijl je volgens haar al je tijd in je werkkamer doorbracht maar de uitgever relatief weinig manuscripten van je ontving. Het zou zo gegaan kunnen zijn. En dan toch, blijf ontkennen. Niet toegeven dat je degene bent die je was. Een van de kenmerken van onzichtbaarheidswaanzin is dat je er heilig in gelooft dat niemand je in je bezigheden kan waarnemen. En dat wil je graag zou houden.

 

 

Spijt

De bladzijden zijn van flinterdun vezelrijk papier waar je bijna doorheen kunt kijken. Overal schemeren woorden door. En niet alleen woorden, ook de plaatjes zie je van tevoren aankomen. Die plaatjes hadden van de schrijver overigens niet gehoeven. De schrijver – die dit keer dichter is – gaf de voorkeur aan zo eenvoudig mogelijk. Alleen zijn tekst. Het gedicht dat hij voor zijn vrouw schreef. De plaatjes waren het idee van de uitgever. Hij wilde de zes grafisch vormgegeven werken van evenzovele kunstenaars.
Dat ze de tekst niet domineren is te danken aan de manier waarop de woorden van de dichter gezet zijn. Aan het lettertype dat de uitgever koos. Aan het drukken zelf. De woorden hebben de ruimte en lijken in het papier gehamerd.

Ik blader heel voorzichtig, hoewel het wel wat kan hebben. Het oogt kwetsbaarder dan het is. Alles komt me bekend voor. De aarden tinten. De tekst in blokken die over de bladzijden dansen. De beelden die weinig goeds voorspellen.
Hier en daar lees ik regels, strofen. Wat de dichter bezielde weet ik niet. Op papier nadert het einde, terwijl alles net nog modder was. Als hij het leest, klinken de woorden kalm en berustend. Zelfs de laatste dertien: ‘One day my words may comfort you, as yours can never comfort me.’

Next to Nothing van Paul Bowles. Ik pikte het er meteen uit, al had ik het nooit eerder in het echt gezien. Dat ik het ooit zelf in handen zou houden, had ik niet durven dromen. Daar leek het me te zeldzaam en te gewild voor. Paul Bowles heeft een cultstatus. Wie hem eenmaal in huis heeft, laat hem nooit meer gaan. Dat soort bewonderaars heeft hij. Ik ben er een van. En toch liet ik Next to Nothing liggen…

Vond ik dat de boekhandelaar te veel vroeg? Absoluut niet. Er zijn er maar vijfhonderd van. Het is handwerk, in Kathmandu gemaakt. De prijs leek mij alleszins redelijk – een snelle check op internet bevestigde dat – maar het is wel veel geld voor één boek. Paul Bowles zelf maakte zich drie jaar na verschijnen zorgen over de prijs, en stuurde aan op een herdruk: ‘I thought it was time it had another edition, since the present one is now listed at $150, according to a rare-book catalogue I received a fortnight ago.’
Wat zeker meespeelde, was dat ik niet op Next to Nothing voorbereid was. De mogelijkheid het te hebben, overviel me. Blijkbaar stond het in mijn ‘systeem’ als onbereikbaar geclassificeerd en had ik me al bij het ontbreken neergelegd.

Maar ik wilde Next to Nothing wel! En toch kocht ik het – zelfs nadat ik het nog een keer uit het beschermende hoesje had gehaald en nog een keer, en daarna nog een keer, doorbladerde en alles dat in het voordeel van Paul Bowles en Next to Nothing sprak op een rijtje had gezet en hardop had uitgesproken – niet.
Daar heb ik spijt van, heel veel spijt.

 

Ze kweekten lammetjes

Ik verlang soms hevig naar iemand die zegt dat het allemaal wel meevalt. Dat schuldgevoel net zo nutteloos en overbodig is als ‘sorry buiten dienst’ op een streekvervoerbus zetten die zijn dienst erop heeft zitten. Iemand die me uitlegt hoe goed het is de dingen net even anders te bekijken dan ik gewoon ben. Iemand die me uit mijn  gewoontevorm lostrekt (nee, niet weken maar trekken) om tot een allesomvattender vorm van begrip te komen. Niet het vage van: ‘Jaja, ah oké, dus zo…’ dat me makkelijk afgaat, maar meer het begrijpen dat me sprakeloos maakt en waardoor ik terstond een lang weekend moet onderduiken om al mijn aannames te herzien.

Toen ik deze week, na maanden geroepen te hebben dat ik nu echt de strijk ging doen, daadwerkelijk de strijkplank uitklapte, zette ik daar een podcast bij aan.  Nooit meer slapen met de Surinaamse schrijfster Cynthia Mcleod (1936). Terwijl ik boorden, mouwen en plooirokjes gladstreek zei ze dingen als: Dat Suriname, Suriname niet geworden was als er geen slavernij was geweest. Ze zei, dat je je achtergrond moet kennen om je toekomst te kunnen bepalen. “Alleen dan kan je verder”. Ze zei ook – met licht verhoogde stem alsof ze het nu voor de zoveelste keer moest uitleggen – tegen Pieter van der Wielen, nadat hij gezegd had dat er Nederlanders zijn die zich schuldig voelen over de slavernijperiode: “Geen enkele Nederlander hoeft zich schuldig te voelen. Jij hebt het niet gedaan. Jij was er niet bij. Wij doen vandaag ook dingen die mensen over 200 jaar verschrikkelijk zullen vinden.” Het klonk zo stellig dat ik haar meteen geloofde.

Ze deed er vervolgens nog een schepje bovenop: “Denkt u meneer! Meneer wat denkt u, dat over tweehonderd jaar mensen nog vlees eten? Waarop ze direct haar eigen vraag beantwoordde: ‘ Nee hoor, niemand eet vlees over 200 jaar. Dan zijn kippen en lammetjes lieve vriendjes, als huisdier. Gaan ze over ons zeggen: ‘Weet je (op een toon alsof ze een sprookje vertelt) wat die mensen toen deden. Ze kweekten die lieve lammetjes en hadden slachthuizen en dan kon je bij de slager dat vlees zien hangen en dan wees je aan wat je wilde hebben en dan kocht je het en thuis at je het op.’”

Het klonk als een voorspelling gedaan door iemand die de geschiedenis kent en daardoor weet hoe de toekomst eruit zal gaan zien. En ik geloofde haar, voelde opluchting en was stiekem blij over mezelf dat ik al geen vlees at. Dat ik niet zo iemand was die bij de slager een stuk vlees haalde om op te eten. En toen wist ik dat er ten tijde van de slavernij ook Hollanders moeten zijn geweest die het niet eens waren met de slavernij, die zich er ongemakkelijk bij voelden. Zoals ik me ongemakkelijk voel bij die hele vleesindustrie maar tegelijkertijd niet in staat ben daar een einde aan te maken. Dat daar tijd voor nodig is. En dat we daarbij de boeken van zo’n wijze vrouw als Mcleod nodig hebben.