Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre ‘sleutelen’ tot er bijna niets van overblijft. ‘het schrompelt als een kriks ineen’, zou men vrij naar ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die ‘totale poëzie’ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, ‘korte en zeer korte’, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poëtische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.

Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en ‘De nieuwe stijl’. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog ‘fout’ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geïllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).

Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.

Willemsbrug mei ‘40
Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
– De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

In de ‘Lof van de poëzie’ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.

Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
Wat niet? Een echo van een echo
is het woord. Maar menigeen
die geen vermoeden heeft van poëzie,
ziet soms de wereld in haar wonder licht.

Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld ‘Schaars licht’, ‘Vermiste stad. Rotterdamse kwatrijnen’, ‘Verspreide gedichten’, ‘Vroege verzen’ en ‘Vertalingen’, plus een opstel uit 2005 met de titel ‘Kan rijm nog?’. Ook relevant zijn de ‘Aantekeningen’ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.

De dichter, in het stugge woord bedreven,
die zijn gesloten hart nors openstelde,
sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: “Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.” Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn ‘Nieuw Rotterdam’, “Hier is geen plek voor nietigheid.” Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.

 

 

 

35ste Nacht van de Poëzie als immer zonder wanklank

Dichtbundels verkopen moeizaam, maar bijna tweeduizend bezoekers laten zich tot diep in de nacht met graagte inpakken. Ademloos luisterend naar wat er geboden wordt. Deze 35ste Nacht van de Poëzie begint met de vraag: ‘Wat is het geheim van de Nacht van de Poëzie?’, gesteld door Nacht-presentator Piet Piryns. Waarop hij met een antwoord komt van Guus Middag: namelijk dat de oorzaak bijvoorbeeld gezocht zou kunnen worden in de ontkerkelijking. Mensen gaan niet meer wekelijks, maar eenmaal per jaar naar de kerk en dat is tijdens de Nacht van de Poëzie, dan wordt de hoogmis van het woord gevierd. De bezoekers zijn de gelovigen. Trouw en toegewijd zijn ze voor hun bedevaart naar Utrecht gestroomd en ook ditmaal kregen ze waarvoor ze gekomen waren.

Vragen horen bij poëzie, zoals de dag bij de nacht. Op de vraag wat poëzie nu eigenlijk is antwoordde Gerrit Komrij ooit: “alle goeie gedichten bij elkaar”. Dat is zo’n goed antwoord, omdat je er alle kanten mee uit kunt, precies zoals de bij voorkeur ongrijpbare Komrij het ’t liefste had. Maar het is ook daarom een goed antwoord, omdat het onderdak biedt aan alle varianten. “Kost en inwoning”, zoals een andere definitie luidt. En zo was ook deze Nacht van de Poëzie in Vredenburg/Tivoli te Utrecht: onderdak voor alle varianten, een huis met vele kamers, om in Bijbelse termen te blijven.

De bezoekers zagen en hoorden een lyrische maatschappijcriticus die in zijn gedichten het vermalen van haantjes verwierp, een onwillige diva die alles deed om het publiek niet te behagen en desondanks uitbundig werd toegejuicht, een dichteres van wie de krachtige performance omgekeerd evenredig was aan de begrijpelijkheid van haar poëzie en die tóch als eerste open doekjes oogstte: meerdere zelfs. Geen dichter die op de andere leek – en het past allemaal. Naadloos.

Is dat misschien een kritische opmerking waard? Dat het te blij, opgewekt, lievig en welwillend is allemaal? Niemand die werd uitgejouwd, geen performer die verontwaardigd staakte. Het zegt ook iets over verontwaardiging als zodanig, wellicht. Een avondje zónder is een verademing. Dus genoot het publiek – ook in dit opzicht – met volle teugen. Dichteres Antjie Krog leek in haar optreden zelf verontwaardigd, bijna giftig. De frêle Zuid-Afrikaanse maakte een verpletterende indruk.

 

De entre acts, vanouds befaamd om de onweerstaanbare mix van kwaliteit en variatie, hadden ook ditmaal hun heilzame en opschuddende effect. Brigitte Kaandorp haalde meteen aan het begin van de avond de geest uit de fles en zette op haar onnavolgbare wijze de zaal op stelten. Lucas en Arthur Jussen namen het publiek tot grote hoogten mee op hun vleugels. Karsu, Amsterdamse pianiste van Turkse afkomst, bespeelde in meerdere opzichten een verbluffend gevarieerd register, van breekbaar tot verwoestend. De Amerikaanse zanger Glen Hansard getuigde van zijn muzikale schatplichtigheid aan Woody Guthrie die 50 jaar geleden overleed, maar in het betreffende lied was het de Trump anno nu die het moest ontgelden. De zaal klapte en juichte.

Het motto van de avond was ‘drijf een wig in de nacht en luister’ maar dat kan geen thema heten. Voor wie een beetje oplette was het thema er wel: familiebanden, al dan niet knellend. Poëtisch passeerden moeders, vaders, broers, zussen, zonen, dochters. Alsof het afgesproken werk was, bijna geen dichter die eraan voorbij ging. In ruimere context bezien was dat ook wat de avond weer uniek en onvergetelijk maakte: de verbinding tussen performer en publiek met woorden en muziek. Er ontstaat een geheel dat meer is dan de som der delen. Magisch, ontastbaar, wezenlijk en reëel.

Ingmar Heytze behoorde ditmaal niet tot de optredende dichters, maar een gedicht van hem in de hal van het theater verwoordt het aldus:

[…] vier zalen komen tot leven rond de as,
achthoekig, pluche en hout. Luister,

kijk, drink alles in. Wat krijgt de wereld
beter aan het draaien dan muziek?   

Kom verder, nergens ben je dichterbij.
Vanavond spelen we alleen voor jou.

Gelovig of niet, daaraan kan geen bedevaartganger weerstand bieden.

 

Foto boven: Dimitri Verhulst
Foto midden:Karsu
Foto onder: Lucas en Arthur Jussen

Foto’s: Marieke van Delft

 

 

Dichter van de werkelijkheid

Voor wie de Franse taal niet machtig is, zal de dichter Pierre Reverdy (1889-1960) misschien een onbekende zijn: tot nu toe was alleen de vertaling van Rein Bloem uit 1995 van de bundel De leien van het dak en een aantal van zijn prozagedichten verkrijgbaar in het Nederlands. Met deze vertaling van Jan H. Mysjkin van La lucarne ovale uit 1916 komt het vroege werk van Reverdy onder handbereik in deze tweetalige uitgave. De tekst ervan is gezet in het font Questa, waarbij de lettercombinaties st en sp door een boogje met elkaar verbonden zijn. Dat zou er niet toe moeten doen, maar de vorm leidt af van de inhoud en dat werkt storend bij het lezen van deze mooi verzorgde bundel.

Reverdy werd geboren in Narbonne als zoon van een wijnboer. Het was de bedoeling dat hij in zijn vaders voetsporen zou treden, maar toen er in 1907 zo veel wijn geproduceerd werd dat de prijzen kelderden en boze boeren de wijn op straat lieten lopen, ging de zaak failliet en Reverdy kreeg de kans om naar Parijs te trekken. In Montmartre woonde hij vlak bij de kunstenaarsbuurt Bateau Lavoir (de Wasboot) waar hij schilders leerde kennen als Picasso, Matisse en Modigliani, maar ook Coco Chanel, met wie hij gedurende vijf jaar een moeizame relatie onderhield. Hun vriendschap hield echter meer dan veertig jaar stand.

Het kubisme en later het surrealisme en dadaïsme uit de beeldende kunst hadden een grote invloed op hem, evenals de kennismaking met schrijvers als Apollinaire, Breton en Tristan Tzara. Zijn korte en fragmentarische gedichten werden gewaardeerd als het literaire equivalent van de schilderijen en beeldhouwwerken van de kubisten. Evenals zij hanteerde hij materiaal uit de dagelijkse werkelijkheid om de wereld visueel opnieuw te ordenen.
Zijn gedichten gaan dan ook schijnbaar over eenvoudige dingen: de woorden die het meeste in zijn gedichten voorkomen zijn onder meer: tafel, raam, straat, wind, zon. Door deze te groeperen op zijn eigen manier wilde hij “de sublieme eenvoud van de echte realiteit” vinden:

‘Wanneer de lamp nog niet is ge-
doofd, wanneer het vuur begint af
te nemen en de zon gaat schuilen,
zijn er toch nog mensen op straat
die voorbijgaan.’

De eerlijke werkelijkheid wilde hij ook oproepen met de emoties die hij in zijn gedichten verwerkte.
Door middel van experimenteel rijm en ritme roept hij een spanning op die de doodgewone dingen in een ander daglicht stelt. Hij brengt losse beelden samen die op het eerste gezicht helemaal niet lijken samen te kunnen gaan. Daardoor krijgen zijn gedichten iets spookachtigs, ‘unheimisch’ en bevreemdends. Schots en scheef dient de werkelijkheid zich in fragmenten aan, als een afspiegeling van de omgeving die hij waarneemt. De gedichten lijken de weergave van een boze droom, waarin alle gevoel voor richting is verdwenen. Dat levert verrassende en surrealistische wendingen op:

‘Ik zou willen vluchten maar ik ben niet alleen
Het lawaai volgt me
We zijn eindelijk binnen en het is nacht
Ik roep de morgen die mijn gordijnen opent en me
wekt
De zon
Maar mijn ogen zijn geblust
En hij heeft geen oren’

Een ander aspect van diezelfde werkelijkheid dat opvalt bij het lezen van Reverdy’s poëzie is de afzondering en de eenzaamheid, die geschapen worden door het tegenover elkaar plaatsen van dingen die niet bij elkaar behoren: er ontstaat afstand, onbegrip, omdat ze niet kunnen doordringen tot elkaars wezen. Zich verloren voelen is een emotie die telkens weer doorschemert in de gedichten en groeit uit tot verbittering:

‘Je zou kunnen roepen
Niemand die het hoort
Je zou kunnen huilen
Niemand die het begrijpt’

De lucide begrippen die vaak voorkomen, zoals ‘lamp’, ‘ster’ worden naast tegenovergestelde voorwerpen geplaatst als ‘schaduw’ en ‘donker’ in een scherp contrast, als symbolen van de uiterlijke, verlichte wereld en de innerlijke, duistere werkelijkheid. Zo kan ook het ovale dakraam uit de titel gezien worden als een sprankje daglicht dat de hoop biedt op verlossing uit de diepe zwartheid:

‘Kwam er maar een beetje lucht
Liet het buiten ons maar toe om klaar te zien
[…]
We zijn alleen mijn schaduw en ik
De nacht daalt neer’

De gedichten in het latere werk worden meer en meer bezwerend en hallucinerender van toon. De inhoud steeds somberder, met afdalingen in het onbewuste en de ondoordringbare hoeken van de menselijke geest. Alsof een van Freuds patiënten zich er tijdens de psycho-analyse toe gezet heeft om de vrije associatie uit te drukken in poëzie.
Het moet een verwarrende tijd geweest zijn met belangrijke industriële veranderingen, een snel veranderende maatschappij en een grote politieke onrust. Na de Eerste Wereldoorlog verkeerde de wereld in een verbijsterende toestand waarin veel oude waarden en mormen hun betekenis hadden verloren. Angst en onzekerheid namen van veel mensen bezit en kregen vorm in de kunst; ook de poëzie van Reverdy weerspiegelt de tijdgeest.

Misschien is de gemoedstoestand waarin hij deze gedichten schreef mede de oorzaak geweest van zijn bekering tot het katholicisme in 1921. Maar over zijn motieven om zich te laten dopen is niets bekend. Vast staat dat Reverdy samen met zijn vrouw Parijs verlaat en gaat wonen in Solesmes in het departement Sarthe, een dorpje dat zelfs heden ten dage slechts 900 inwoners herbergt. Wel heerst er van oudsher een strenge katholieke traditie, de Liturgische beweging, gesymboliseerd door de benedictijner Abdij van Sint Pieter. Ook wordt het Gregoriaans hier in ere gehouden.

Hier, diep verscholen in het platteland, blijft Reverdy drie jaar lang vanuit een strenge behoefte ‘aan het absolute’. Hij verbrandt diverse onuitgegeven manuscripten en schrijft aforismen, maar nauwelijks nog poëzie. Pas in 1937 verschijnt er een nieuwe bundel ‘Ferraille’. Maar even plotseling als hij zich bekeerd heeft, wendt hij zich ook weer van de kerk af, al verliest hij niet zijn persoonlijke geloof. Regelmatig gaat hij terug naar Parijs, maar hij blijft tot aan zijn dood in Solesmes wonen.

‘Een hoofd gebogen onder het gewicht van stralen
En door lichtspijkers doorboorde handen
Het bebloede voorhoofd rustend op de wolken
Beide armen uitgestrekt om de doorgang te
versperren
De wereld ging onder je voeten voorbij
Mens en God’

Reverdy’s poëzie werd zeer gewaardeerd in kleine kring, maar grote bekendheid heeft hij daarbuiten nooit gehad. Daarvoor zijn zijn gedichten te moeilijk en te verontrustend. Ze laten zich lezen zoals een kubistich schilderij zich laat bekijken, waarin vanuit verschuivende standpunten een beeld wordt samengesteld, waarbij niet altijd op de waarneming vertrouwd kan worden. Maar al lijken ze deels te behoren tot de mystiek, toch blijven ze steeds verankerd in de alledaagse wereld. Niet voor niets luidde het credo van Reverdy: ‘De dichter moet de dingen zien zoals ze zijn en ze vervolgens tonen aan anderen zoals ze die, zonder hem, niet zouden zien.’ Met deze mooie bundel kan de kring van liefhebbers van de poëzie van Pierre Reverdy ook buiten het Franstalige gebied worden uitgebreid.

 

 

Op avontuur met de beste dichters van 2017

Het voelt wat vreemd, een architect als samensteller van een bundel waarin een selectie van de gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017 is opgenomen. Maar waarom zou een architect niet met poëzie verbonden kunnen worden? Is een gedicht niet, net zoals een bouwwerk, ook een stapeling van elementen? Een ruimtelijke samenstelling van onderdelen die in hun verscheidenheid toch een eenheid vormen? Een onderkomen voor de menselijke verbeelding? Daar zou met gemak een fraaie en romantische vergelijking over geschreven kunnen worden, maar kennelijk niet door Francine Houben, één van Nederlands bekendste architecten. In haar voorwoord komt deze juryvoorzitter niet veel verder dan haar medejuryleden te bedanken en vast te stellen dat in architectuur, zowel als in poëzie, alle zintuigen worden beroerd: ‘Als het goed in elkaar zit voel je emotie’. Daarnaast stipt ze wat gemeenplaatsen uit haar geliefde Rotterdam aan: Jules Deelder op de vuilniswagens, Ramsey Nasr op de luchtsingel en Lucebert op een flatgebouw. Iets meer bevlogenheid zou je van een artistiek vertegenwoordiger uit de hoogste regionen van de vaderlandse cultuur wel mogen verwachten. Gelukkig bestond de jury ook uit enkele zwaargewichten uit de literaire wereld zoals Rozalie Hirs en Ilja Leonard Pfeijffer.

Bladerend door de bundel valt direct de grote diversiteit aan gedichten in het oog. Het Nederlandstalige dichterschap wordt naar hartelust beoefend en levert bijzondere poëzie op. De genomineerden voor de VSB-prijs zijn goed vertegenwoordigd: de scherpe actualiteit van Rodaan Al Galidi, het zelfonderzoek van winnares Hannah van Binsbergen, de speurende evolutie van Ruth Lasters, de beheerste hysterie van Delphine Lecompte en de verbeten moraal van Nachoem M. Wijnberg. Een uitstekende afspiegeling van de stand van zaken in de dichtkunst.

Dat afgevinkt hebbende is het een verrassend avontuur om de rest van deze editie door te spitten. Vooral waar dichters hun woorden toetsen aan een werkelijkheid die niet binnen handbereik ligt, het doorlopend najagen van kronkelende gedachten die in hun uiteindelijke vorm tot een indringend gedicht leiden. Nog mooier wordt het als de dichter zichzelf op de hak neemt, de vileine zelfspot die zo nu en dan onontbeerlijk is in de verheven woordenbrij (‘De poëzie uitlachen: dat is pas poëzie!’ zoals Erik Spinoy in een van zijn gedichten laat weten). Dan valt direct de bijdrage van Menno Wigman in het oog, zijn ontnuchterende ‘Rien ne va plus’ is een feest om te lezen tegen het einde van een bundel vol doordachte woorden:

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En ‘s avonds op je kamer
zit je hardnekkig je verwekkers stuk te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een spotziek joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo fel papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

Met een knipoog naar Slauerhoff weet Wigman ambitie, onzekerheid, bravoure en schaamte in woorden te vatten. Kortom, de zwalkende kunstenaar in optima forma, die juist door te twijfelen aan z’n eigen professie de dichtkunst op een hoger plan brengt. Het streven naar grootsheid van de eerzuchtige jeugd die wordt ingehaald door de nuchterheid van het volwassen leven. Toch kiert de liefde voor de poëzie haast wanhopig door deze regels.

Persoonlijke hevigheid maakt even snel weer plaats voor bescheiden uiterlijkheid zoals de Vlaamse Marleen de Crée laat zien. Altijd een verademing, poëzie die zich naar de ruimte toe draait, beschrijvend en observerend. Noem het klassiek of cliché, tussen alle navelstaarderij is een poëtische schildering van de buitenwereld een fijne ervaring. De Crée legt in ‘Voices’ de vinger op ruimte en tijd, ze kijkt in de toekomst en schrapt ter plekke de woorden die te veel zijn:

het ochtendlicht lekte uit de wolken.
een onbestemde vogel in het bos
viel uit een boom. waarschuwde.

dunne minuten tikten uren los,
een geluid van afgemeten tijd,
van een lijn die uitloopt in de luwte.
geroffel van water, vlucht tussen
druppel en punt.

Hier wordt, met een fraaie interpunctie, het leven beschreven alsof het een futiele aangelegenheid is. Zó klein en tegelijkertijd van een immense omvang, te groot om te omarmen. Als een pneumatische machine die de rijkdom van deze poëzie laat zien: een doorlopende pompbeweging die van klein naar groot, van binnen naar buiten en ja, van leven naar dood vibreert.

En dan zijn we in één grote armzwaai bij de laatste pagina van deze bundel beland. Alle opwindende nieuwigheid, experimenteerdrift, debutantengedoe en vormexplosies ten spijt, hier eindigen we haast sacraal met een indrukwekkende showstopper: wijlen Joost Zwagerman (met Zw dus hij is echt de laatste) en zijn haast Reviaanse woorden in het intieme gedicht ‘Droom’:

Een eeuwigheid geleden
leende ik aan God mijn stem.
Sindsdien schalt Hij basso
continuo over stad en land.

Een enkeling herkent mijn stem
en meent dat God in tongen
spreekt. Zijn eenzang, mijn
timbre, het is een misverstand.

Om minder is wel achterdocht
gewekt. Bedeesd hul ik mij
in het tomeloze zwijgen dat
Hem tot aanbeveling strekt.

 

 

N.B. Dit zal de een na laatste De 100 beste gedichten bundel zijn, een uitgave in het kader van de VSB Poëzieprijs. Vorige week werd namelijk bekend dat het VSBfonds na 24 jaar hun naam niet meer wil koppelen aan deze Poëzieprijs. In 2018 zal de laatste keer zijn dat deze prijs wordt uitgereikt onder de naam VSB. De komende jaren wil het VSBfonds zich nog meer richten op actief burgerschap en initiatieven/projecten die ernaar streven de onderlinge verbinding tussen mensen tot stand te brengen of te herstellen, daarbinnen past een prijs voor een bundel van een individu niet meer.

 

 

Verzamelbundel over dichters en poëzie

Wiel Kusters is een gedreven en actief publicist in het land der Nederlandse letteren, met kennelijk een extra warm plekje voor de provincie Limburg. Zijn literaire bezigheden sluiten ook aan bij zijn werkzame leven als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Maastricht.

Kusters debuteerde in 1976 rond zijn 30ste levensjaar en relatief laat, met een bundeltje gedichten van drie bladzijden. Vanaf dat moment verscheen er haast elk jaar  nieuw werk van hem , dikwijls in kleine oplage bij zogenaamde margedrukkers. Wel steeds op mooi papier, genummerd en gesigneerd. Vaak met illustraties en ter gelegenheid van  bepaalde gebeurtenissen, verjaardagen, jaarwisseling of jubileum. Het boek Leesjongen. Verzamelde gedichten 1978-2017, is een overzicht van zijn poëtische uitgaven .

In deze verzamelbundel van 300 bladzijden heeft Kusters zijn gehele poëtische oeuvre opnieuw overzien en voor de gelegenheid thematisch geordend. Zelf noemt hij het ‘de kern van mijn dichterlijke werk tot nu toe’. Aldus is een soort dichterlijke autobiografie ontstaan: de rubrieken waarin gedichten zijn ondergebracht zijn getiteld: ‘Dicht bij huis’, ‘Amor en de schedel’, ‘Ik ging eens niet graag dood’, ‘Mijn handen in een droom’, ‘Lezen in de nacht’ en ‘Het halve woord’. Alle poëzie van een leven lang (Kusters is dit jaar zeventig geworden) heeft zodoende ook een nieuwe plaats. De bestaande gedichten zijn uit hun oorspronkelijke verband losgemaakt en hebben een nieuwe , overkoepelende context gekregen. Een goede gelegenheid dus om de poëtische Kusters  te leren kennen. Voor het bestuderen van de ontwikkeling van de dichter Kusters blijkt  deze presentatievorm echter minder bruikbaar.

In het geval van een dichterlijke autobiografie ligt het min of meer voor de hand dat ‘verhalende’ gedichten overheersen: de gedichten die de lezer iets meedelen over Kusters’ eigen leven. Daarnaast bevat dit boek opvallend veel gedichten over dichters en poëzie.

‘Oor’
Op straat legde ik vaak
een oor aan de grond

bewoog daar beneden
een vader of een zoon?

Et voilà: een simpel gedichtje met een kinderherinnering, die in luttele woorden (ook) het beeld oproept van Limburg als het land waar de mijnbouw beoefend werd.

‘In volle vaart’

De boot glijdt langzaam over het gladde water.
Ik ben het kind dat mij heeft ingehaald.
Almaar sneller roeiend word ik als mijn vader,
die tussen oeverstruiken is verdwaald.

De vijver rust gelaten op zijn gronden.
In niets beweegt hij uit zichzelf vandaan.
Tot op de bodem ligt de tijd ontbonden,
in zomerdaglicht hangt een bleke maan.

Toen en nu zijn hier als steeds vervlochten.
Zo leeft de dood in ieders ver verleden.
Je roeit en ziet voortdurend waar je was
en elke slag verander dadelijk in zopas;
al had ons hart dat nog zo graag vermeden,
verliezend telkens wat we net nog zochten.

Andermaal een verhalend gedicht, vast van vorm, tijdloos naar inhoud. Lyrischer, speelser ook, is ‘Orgel aan zee’.

Van alle kanten, niet van zee
brengt de dag een orgel mee:

drie orgelschelpen op een rij.
De wind blaast vrij in allebei.

Het tweetal meeuwen dat hier vliegt,
krijst dat alle zonlicht liegt.

De ene die overblijft ten slotte,
omdat het weggaan niet zo vlotte,

strijkt op het zwijgend orgel neer,
kijkt mij aan en is niet meer.

Aan zoiets, maar bijvoorbeeld ook aan het merkwaardige ‘Villa massimo 1984’, met regels als, De silben stroomden glad naar /  grimm / piano tonies xylofoon / azijn en olie suikeroom

kan de lezer merken dat Wiel Kusters een dichter is, die met zijn gevarieerde vormentaal  verschillende registers bespeelt. Een bonus bij deze uitgave is een CD waarop we Kusters kunnen horen voorlezen. Deze selectie van ruim dertig gedichten vormt dan weer, kan worden aangenomen,  de persoonlijke voorkeur van de dichter zelf uit het grotere geheel. De dichter brengt dat dus nog dichterbij: zíjn selectie, uit zijn eigen poëzie, door hemzelf voorgelezen. Beluister zijn rustige voordracht, hoor zijn uitspraak met de onmiskenbare zachte g. Kusters is niet het soort performer wiens voordracht iets toevoegt, zoals bv. Bart Chabot. Het gedicht ‘Kniettewies’ in het Kerkraads, veroorzaakt een uitgesproken regionaal accent. Aldus maakt de lezer kennis met een veelzijdige Nederlandse dichter, schrijver en academicus, die begint en  eindigt in de provincie.

 

 

Een bundel die de lezer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën

Het Advertentiespel uit vroeger tijden was vermakelijk vanwege de vreemde advertentieteksten die konden ontstaan als de in stukken gehakte zinnetjes door toeval bij elkaar kwamen: ‘Aangeboden: vier nieuwe leden met grote kleefkracht’. Tussen zulke raadselachtige zinnen zal een zin als: ‘Dwangmatigheid / is een wind waaraan de niet-moderne kat / is vastgeniet’ bepaald niet misstaan. Laatste zin is echter niet van de spellenmakers van Jumbo maar van de Canadese dichter Ken Babstock (1970) en te vinden in de onlangs uit het Engels vertaalde sonnettenreeks SIGINT, een op zichzelf staande sectie uit Babstocks vijfde en meest recente bundel On Malice (2014).

Vermaak staat daarin niet voorop. Daartoe is ook allerminst reden wanneer men bedenkt dat de dichter zich heeft laten inspireren door een uit de Koude Oorlog daterende Amerikaanse spionagebasis op de Berlijnse Teufelsberg. De hoogste van de negen kunstmatige heuvels die het voornaamste bestemmingsplan waren voor de miljoenen kubieke meters Berlijns oorlogspuin. Al gauw echter na de val van de Muur kwijnde het inmiddels uit gebruik genomen afluistercomplex weg om te verworden tot fossiel uit het vergane hoogtij van de Koude Oorlog. Toen werden met zulke radarkoepels de verste radiosignalen uit het Sovjet-imperium waargenomen.

Signalen van een dystopie
Alle gedichten uit On Malice, inzonderheid die uit SIGINT, putten niet rechtstreeks uit het allerindividueelste domein van de dichter maar vissen doelbewust in andere bronteksten. Babstock schrijft in het nawoord dat de sonnetten uit SIGINT ‘plaatsvinden’ in het verlaten afluisterstation. SIGINT is de afkorting voor ‘signals intelligence’, informatiegaring middels het onderscheppen van signalen. Het afsluitende distichon van deze sonnetten bevat steevast in kleiner lettertype afgedrukte ‘incident reports’ welke botsingen ‘verbeelden’ tussen een klein vliegtuig en een gierzwaluw, met vermelding van plaats, datum en tijdstip. Deze sonnetten zouden volgens Babstock vocabulaire ‘delven’ uit de aantekeningen die de cultuurfilosoof en geboren Berlijner Walter Benjamin maakte over het taalverwervingsproces van zijn zoontje. Maar deze pas de deux met Benjamins teksten wordt door het afluisterstation vakkundig door de mangel gehaald om, opgeluisterd met digitaal jargon als ‘malware’ en ‘glasvezelkabel’, de ether in te worden geslingerd. De taal wordt hier als afvalproduct gepresenteerd, dat door de onzichtbare hand van de dichter zelf tot een sonnettenmozaïek gerecycled is. Vanzelfsprekend levert het resultaat geen gedichten die de schoonheid van het menselijk bestaan bezingen. De sinistere sfeer van een dystopie is er meteen in het openingsgedicht:

Het meest houd ik van / de dood. Dit is geen wachtkamer voor zielen (…) Kun je je niet voorstellen dat je bespied wordt, / dan kun je je niet voorstellen hoe goed ik ben.

Poëzie die geen lezer nodig heeft
Ik besta want ik word bespied. Een leven lang onopgemerkt blijven is de mens niet meer gegund; ‘de radio vraagt om nieuw misbruik’. Aan de spiedende blik van de moderne surveillancemaatschappij valt door niemand te ontkomen. We leven met ‘de coïtale koppijn van continu toezicht’ in een begluurde wereld en we weten het. Onze manier van communiceren wordt er mede door bepaald. Waar de een zal neigen tot onverschilligheid of exhibitionisme, gaat de ander er juist toe over zijn informatie te versleutelen. Op de menselijke maat is deze poëzie niet bemeten. In het digitale universum lijkt de mens te zijn verworden tot een supplementair ‘diertje’. Het is intussen maar de vraag of deze poëzie nog om een lezer vraagt.

De gedichten bevatten een volledig platgeslagen en gelijkgeschakelde, autonome tekst. Zonder richtinggevend verdwijnpunt worden de zinnen voortgedreven door grammaticale logica die de lexicale betekenis ondergraaft. Met een overweldigend potentieel aan (on)vermogende woorden als resultaat. Maar net als onkruid onuitroeibaar is, bloeit op deze afvalberg van taalscherven als vanzelf betekenis op. Als een Feniks verrijst de taal uit zijn eigen as. De volhardende lezer die bereid is deze gedichten meerdere lezingen te gunnen, zal bemerken dat verbanden zich schoorvoetend beginnen prijs te geven. Hij zal echo’s waarnemen van eerder gelezen zinnen. Leest men bijvoorbeeld in het ene gedicht:

Omdat het openbare lab er al stond, / verlegde ik maar de grenzen op het geheime / toilet.

Dan zijn de oren gespitst waar het volgende gedicht verder orakelt:

Zij die al gestorven zijn, zo bang
op het toilet, moeten wel vragen:
waar is vlees van gemaakt?

Waar is een begraven jongen van gemaakt?
Is hetzelfde vlees in het toilet niet de andere
dode gedachte begraven in ‘ben braaf’?

Digitale maatschappij
Hoe onheilspellend is het dat het allerlaatste sonnet begint en eindigt met de zin ‘Nu ben ik braaf’? Aldus spant zich een fijn weefsel waarin een spoor, glimpend van opheldering, lijkt uitgezet. Zoals de radars de onderschepte signalen ooit op geheime betekenissen uitvlooiden, graast de lezer deze tekstflarden af op hun diepere betekenislagen, daar de veronderstelling dat dichters schrijfmachine hier simpelweg gekkenpraat zou hebben gemijmerd niet bevredigend is. In deze bundel hoeft men niet per se te verdwalen. Al lukt het waarschijnlijk niet overal een vinger achter te krijgen. Wie daarmee kan leven, zal onderweg genoeg moois kunnen lezen: ‘Jij geschiedt en wordt beschoten’, ‘Brave mensen maken geen inbreuk op het heden.’ of: ‘Misschien is denken de maan van een maan’. Zinnetjes die ons in een flits lijken te willen zeggen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit.

Als deze bundel een kunstwerk was, betrof het niet een schilderij maar eerder een installatie die de toeschouwer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën die bij nadere beschouwing minder ver van ons af blijken te liggen dan de sussende woorden van de boven ons gestelden ons willen doen geloven in onze inmiddels o zo vertrouwd gemaakte, verdigitaliseerde maatschappij.

Buiten staan twee schapen.
‘Moet’ bewaakt de schapen.
‘Misschien’ schudt aan het boompje.

De kleine hond met een staf valt eraf.
Brengen de vervloekte doorns voor volgend jaar genoeg op
dan komt het zwarte schaap erop bijten.

Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
Wanneer hij slaat, jaagt hij een hond.

Het regent hier in de kamer.
Wat wordt geleerd van al dit geluister?
Voddenkoppen in boeien met hun geëlektrocuteerde leden.

 

04.35u, mei, hoogte onbekend, tijdens nadering Varna. Helder

 

 

Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

Marije Langelaar weet hoe ze een gedichtenbundel moet beginnen, in: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ In de eerste zes regels van ‘Zand’ worden al veel intrigerende lijnen uitgezet, eigenlijk vooral door vragen op te roepen. Is de ‘ik’ een vogel geworden of altijd al geweest, en wat doet ze hier op het strand, dus op de grond? Prachtig gevonden is de formulering ‘hem zachtjes te graven’: moet hier ‘[in] hem’ gelezen worden, ‘hem zachtjes [in]/[uit] te graven’, of zelfs ‘te [be]graven’? De laatste drie opties zijn logisch, gezien de strandsetting, maar de eerste lijkt minstens zo mee te spelen:

Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties, / het allervieste en eveneens een woord / tussen de zandhersens geklemd’.

‘Zand’ is de opmaat voor het vaak beklemmende eerste deel van Vonkt, ‘Een afgrond omsingelen’. Langelaar laat daarin de taal én beelden ontsporen – want hoe moet je eigenlijk een afgrond omsingelen? – om een surreële, ongemakkelijke sfeer neer te zetten. Formuleringen zijn vaak voor verschillende uitleggen vatbaar, zoals ‘Tellen de dagen dat het zin heeft’: is dit een ‘[We t]ellen’ of moet je ‘m parafraseren als ‘De dagen tellen (als in: meetellen) dat het zin heeft’? Het mooie is dat beide invullingen naast elkaar lijken te kunnen bestaan. Met een paar woorden weet Langelaar veel betekenis te genereren. Ook neologismen als ‘wolvenschrik’ of hard aankomende regels als ‘Had ik maar een nek en een bijl en een schuur’ dragen bij aan een donkere, mysterieuze sfeer: in het geschetste gezin is iets niet goed in de haak, al wordt nooit helemaal duidelijk wat precies.

In het tweede deel lijken die problemen van tijdelijke aard te zijn geweest. Het surreële wordt eerder mythisch of religieus van aard, zoals in ‘Trommel’ waarin muziek aan het begin lijkt te staan van het leven als een soort letterlijk de la musique avant toute chose:

‘Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. […] Paf paf paf! De vogels vliegen op. / Paf Paf Paf! / Een nieuw seizoen. / Paf Paf Paf! / Weer een kind. / Paf Paf!’

Echter, het blijft niet goed gaan: ‘Maar het kind bleef uit.’ De trommel wordt niet meer geslagen en er volgt uiteindelijk een fragment dat aan Adam en Eva herinnert op het moment dat ze zich bewust worden dat ze naakt zijn:

‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats de trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?’

Muziek en dieren blijven een rol spelen in deze afdeling, maar het donkere blijft. In een gedicht over een pratende kat wordt de lezer bijvoorbeeld heerlijk ruw aangesproken: ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten’.

Het derde deel, ‘Love songs for the Absolute’, overtuigt minder. De beklemming van de eerste twee afdelingen maakt plaatst voor een vaak geëxalteerde toon, inclusief uitroeptekens. Een overgang daartussen is te vinden in het mooie gedicht ‘Het Oog’, dat sterk herinnert aan Odilon Rendons tekening waarin een oogbol een luchtballon is geworden en zo een alwetende uitstraling heeft gekregen. In Langelaars gedicht hangt er een oog in de kamer, en dat roept vragen op als ‘Is het god?’ Het is niet duidelijk hoe met dat oog om te gaan:

‘Ik wist niet wat te doen, mocht ik opstaan? Moest ik / spreken? Pleiten voor iets? Mijn leven verdedigen of / toelichten?’

Maar tegen het slot van heet gedicht smelt de ‘ik’ samen met het oog (of zoals Langelaar het zegt: ‘ik smolt in het oog’), stijgen ze tezamen op en kijken naar alles dat er te zien is. Het blijde uitroepen dat daarop volgt is in ‘Het Oog’ nog vrij beheerst, maar Langelaar zit in andere gedichten vaak echt op het randje. Neem bijvoorbeeld het bijna-titelgedicht ‘Vonk’:

[…]
Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
vlammende en trillende slaap werd vlammend en
trillend weer wakker.
[…]
Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
doof blind stom en leeg begon.
Nu bedenk ik hinkel- en andere kinderspelletjes en
bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

Het enthousiasme van de verteller is zo aanwezig dat het niet helemaal wil overslaan. Om in de terminologie van ‘Vonk’ te blijven: veel gedichten in ‘Love songs for the Absolute’ willen net niet vonken of vlammen. Woorden worden minder economisch ingezet, gedichten waaieren uit en de taal stokt minder. Bovendien: het ongemakkelijke en het donkere ontbreken vaak, terwijl zij een goed contrastpunt voor het al te geëxalteerde hadden kunnen zijn. De subtiele metamorfoses in een hert of in een stoel zijn fraai, maar halen het uiteindelijk niet helemaal bij het panische, angstige ‘Houd je schil vast’ (uit de eerste afdeling), dat nog eens laat zien dat het echte vuur van Vonkt in het ongemak zit:

Laat je niet lichten houd je schil vast
houd je bril vast laat je billen niet los en houd de hand
van de tijd vast en één twee drie kramp nu.
Laat je niet ontkleden houd al je gebeden, hoofdsteden
regels vast, zet je hart in een klem ja zo
bind je hersens vast,

prik wat met je stok
één twee drie kramp nu

ik pas deze jas.

 

Odilon Rendons tekening

 

 

Over kleine dingen die tot bezinning leiden

Willem Wilmink schreef voor Kees Stip een spitsvondig gedicht dat begint met de regel: ‘Hoe kan een naam zijn dichter sturen!’, waarin hij het aloude ‘nomen est omen’ nieuw leven inblies door een aantal dichters te noemen wier naam een kenmerk van hun poëzie zou aanduiden (‘en geen ooit puntiger dan Stip!’). De dichter T. van Deel (1945) kreeg de versregel toebedeeld: ‘[…] Van Deel op de details gericht’ en daarmee gaf Wilmink inderdaad de kern aan van de poëzie van Van Deel.

Want er is geen andere dichter die zo op kleine dingen let als hij: een steentje, een vogelveer, een vlinder, om die vervolgens tot onderwerp te maken in een gedicht. De natuur speelt een grote rol in het werk van Van Deel: niet het grote geheel, maar de kleine, ogenschijnlijk betekenisloze dingen krijgen betekenis in zijn gedichten. Het is geen poëzie voor de achteloze voorbijganger, maar juist voor de aandachtige beschouwer, die evenals de dichter zelf bereid is om wat langer stil te blijven staan bij wat hij op zijn weg vindt.

De bundel Herfsttijloos is prachtig vormgegeven: op de voorkant lijken Japanse schrifttekens te zijn aangebracht, maar zijn in werkelijkheid schetsmatige bloemen; herfsttijlozen die de bundel hun naam geven. De meestal korte gedichten staan als haiku’s of oosterse kwatrijnen hoog op de pagina, wat rust en ruimte biedt en tot overdenking aanzet. Ze zijn gepaard wat thematiek betreft: op twee pagina’s worden twee gedichten tegenover elkaar gezet die over hetzelfde onderwerp gaan: stenen, een diorama, tulpen.

Zes gedichten uit de bundel zijn al eerder gepubliceerd. Van Deel debuteerde in 1969 met de bundel ‘Strafwerk’ en ‘Herfsttijloos’ is zijn achtste bundel. Hij schreef veel recensies en essays, waaruit zijn liefde voor beeldende kunst spreekt, hij stelde bloemlezingen samen en was lid van het vertaalteam van de Nieuwe Bijbelvertaling, maar met het schrijven van gedichten gaat hij spaarzaam om: zijn voorlaatste bundel Boven de koude steen dateert van 2007.

De titel ‘Herfsttijloos‘ slaat natuurlijk op de bloem met de Latijnse naam Colchicum autumnale, die een beetje op de krokus lijkt. De plant heeft een omgekeerde cyclus: hij bloeit in de herfst, maar de bladeren en vruchten komen pas in het voorjaar te voorschijn en het zaad wordt gevormd in de winter. In de plantensymboliek staat de herfsttijloos daarom voor ouderdom en wedergeboorte; zo zou Medea herfsttijloos gebruikt hebben in de verjongingsdrank voor de vader van Jason, Aeson, die hem veertig jaar jonger maakte. In laatste instantie kan de titel van de bundel ook nog als een bijvoeglijk naamwoord gezien worden; een mooie symboliek voor een dichter die op oudere leeftijd met een nieuwe bundel komt.

Het motto van de bundel is de laatste strofe van Plompenblad, een gedicht van Jacob Winkler Prins (1849-1907). Winkler Prins was een dichter en beeldend kunstenaar wiens grootste liefhebberij het kweken van bloemen en planten was. De liefde voor de natuur hebben beide dichters gemeen, evenals het herkennen van de symboliek in de natuur.

Al in het openingsgedicht Vervlogen blijkt de aandacht van Van Deel voor de kleine dingen: het gedicht gaat niet alleen over een vlinder, maar zelfs de schaduw van die vlinder wordt door de dichter waargenomen en daardoor kan hij de volgende vergelijking maken: ‘zo beeldt het leven zich in duister af / tegen het licht; onwetend wat het / voorstelt vervliegt het tot gedicht.’

Dat Van Deel goed kan kijken is een sine qua non voor zijn gedichten, maar bovendien weet hij zijn observaties om te zetten in verrassende vergelijkingen die niet zo voor de hand lijken te liggen bij het onderwerp van zijn schouwen. Zo noemt hij de herfsttijlozen godinnen: ‘godinnen rijzen zomaar / naakt en bladloos uit hun bloemschelp op’, terwijl hij eerder al vaststelde: ‘Ze rekken loom zich uit hun bollen uit’. De bloei van deze bloemen wordt vergeleken met een nest vol vogels dat ‘de snavels luid en levenswijd onstuitbaar houdt gesperd.’ Het woord ‘levenswijd’, dat in geen enkel woordenboek kan worden opgezocht, geeft een extra dimensie aan deze toch al zo mooie en onverwachte beschrijving.

Het gedicht Vuursteen is een voorbeeld van een gedicht met een diepere laag die de lezer kan aanboren onder de oppervlakte:

‘Ze zei ik ben gewoon materie
pak me op en neem me mee
onderzoek mijn samenstelling
heb ik de schijn tegen ik ben
kleurrijker dan je denkt
je zult je veel moeten afvragen
misschien zelfs een stuk van mij
afslaan om pas in het breukvlak
mijn binnenste te lezen.’

Op het eerste gezicht lijkt het alsof het de vuursteen is die het woord heeft genomen, maar waarom heeft de dichter dan de vrouwelijke vorm gekozen? Zoals voor bijna al deze gedichten geldt, is de versregel ‘je zult je veel moeten afvragen’ de sleutel tot het begrijpen van de elementaire beelden. In zijn schijnbare eenvoud staat dit gedicht model voor alle andere gedichten in deze bundel.

Bij een aantal gedichten staat achter in de bundel vermeld dat ze geschreven zijn bij een schilderij of bij een tekening, of dat het gedicht is afgebeeld op een muur. Zolang die schilderijen of die muur niet zijn afgebeeld in de bundel, werpt die informatie geen nieuw licht op het gedicht zelf. Anders is het met de gedichten waarbij Van Deel aangeeft waar ze naar verwijzen, zoals de tweelinggedichten Ruth en Vasthi, waarvan Van Deel de plaatsen in de Bijbel aangeeft. Omdat vooral het gedicht Ruth precies vertelt wat er in de Bijbel staat – Ruth gaat aren lezen op het veld van Boaz, met wie zij later huwt –  is de verwijzing niet direct noodzakelijk, maar om het gedicht Vasthi te begrijpen is het goed om te kunnen lezen dat Vasthi de eerste vrouw was van koning Ahasveros. Zij wilde niet op het feest komen om haar schoonheid te laten zien, zoals de koning wenste. Deze was daarover zeer ontstemd. In bijbelse bewoordingen zegt Van Deel: ‘en hij ontnam de kroon haar’.  Koning Ahasveros trouwde later met Esther, die in de Bijbel haar eigen boek kreeg. Met deze kennis krijgen de derde en vierde strofe haast een humoristisch tintje:

‘Of Esther die hij liefkreeg
gewillig zich liet showen
meldt de historie niet

Ook niet het lot van Vasthi
schoonste der koninginnen
en meest onnaakte vrouw’

In het gedicht Het pottenfeest vertelt een scheve pot waarom hij zich afzijdig houdt van de dans waar de andere potten allemaal aan meedoen: ‘Misschien dat ’s Makers handen om mij trilden.’ Uit een aantekening van Van Deel achter in de bundel wordt duidelijk dat het een citaat is uit de Rubaiyat van Omar Khayyam, maar hij verzuimt te vermelden dat de titel van het laatste gedicht, Het kind dat wij waren, de titel is van een van de bekendste en meest geliefde gedichten van E. du Perron, te vinden in vrijwel elke bloemlezing. Van Deel veronderstelt derhalve een grote mate van belezenheid bij zijn lezers: er wordt ook een meer dan algemene kennis verwacht bij de gedichten Ikaros en bij Hortus, Conclusus en bij de openingsregel ‘Ik mis de spondee van je hakken / naast me lopend over straat’.

De gedichten geven zich niet altijd op het eerste gezicht prijs, maar wie nog eens leest, ziet dat er veel meer staat dan zo op het eerste oog gedacht was. De bundel vraagt aandacht en bereidheid tot overdenking, het zijn verstilde gedichten, niet over grote onderwerpen, maar die aan de hand van kleine dingen tot bezinning leiden.

 

 

 

Een magere oogst van vier decennia poëzie

Met flinke tussenpozen heeft R. A. Basart poëzie gepubliceerd. Hij debuteerde met een gedichtenbundel in 1974; drie jaar later verscheen zijn tweede, en twintig jaar later publiceerde hij zijn eerste roman. Vorig jaar kwam er een tweede roman uit, De verzoening, die erg goed ontvangen werd. Het lijkt erop dat Lebowski het tijd vond om ook Basarts poëzie weer onder de aandacht te brengen middels Zingend naar huis, een verzameling ‘selected and new poems’ zoals dat in het Engelse taalgebied heet.

De bundel bevat ongeveer voor de helft gedichten uit die eerste twee bundels, Oranjebal en De gezonde apotheek. Dit deel heet ‘Eerste gedichten’; het deel met het nieuwe werk ‘Laatste gedichten’. Vooral die tweede helft roept vragen op – vooral de vraag over wat voor een tijdsspanne die laatste gedichten zijn geschreven en of er misschien ‘Middelste gedichten’ bestaan die hier weg zijn gelaten. Beide helften sluiten immers zo goed op elkaar aan dat er nauwelijks sprake is van opvallende ontwikkelingen in Basarts dichterschap: de toon en thematiek blijven vrij constant. Basart brengt lichte spot en dito melancholie samen in klein aandoende gedichten die stiekem wel grote thema’s behandelen. Het resultaat is een typisch soort moderne Nederlandse Romantiek: al te wilde emotionele uitspattingen beteugeld met milde ironie en meewarigheid. Het mooie openingsgedicht ‘Bij het aftuigen’ is direct al exemplarisch:

Wat brak werd vervangen / maar liet steeds een leegte na: / dus hou ze heel, als je ze heel / houdt zie je later waar de / sneeuw van vroeger is gebleven.

Op de achterflap wordt beweerd dat Basarts poëzie ‘moeilijk te categoriseren [is], maar als we toch een poging moeten doen, denken we aan Nijhoff en Eliot.’ Of dit een bewuste poging is om Basart een plaatsje te bezorgen in de (modernistische) canon, gaat deze vlieger niet op; daar zijn de gedichten bij lange na niet gelaagd genoeg voor. Soit, de humor van de vroege Eliot (denk ‘Prufrock’) zit er in de verte wel in, maar Basart doet vooral denken aan land- en generatiegenoten Lévi Weemoedt en Jean Pierre Rawie – maar dan zonder het al te op de lach gerichte van de eerste, en de gezwollen toon van de tweede. Die karakteristiek geldt voor de gedichten uit de jaren zeventig, maar zo’n veertig jaar later lijkt er weinig veranderd te zijn:

Daar ga je, nagewuifd / vanaf de kade, tranen / in de zee: / niets bracht je hier, niets / neem je mee

Binnen dat wat ouderwetse idioom weet Basart een aantal sterke gedichten te schrijven, waarin de ironie minder, en de impact (daardoor) groter is. Aangrijpend is ‘De kamer’, waarin vrienden zich buigen over een stervende: ‘De vrienden buigen zich. / U ziet uw vrienden over u // gebogen. U sluit uw ogen. / U sluit uw ogen voor de / dood hun ogen.’ Indringend is het morele dilemma in ‘Sde nechemja’ (vernoemd naar een door Nederlanders gestichte kibboets): ‘Een vervelende man. […] Wat een lul van een man. // Maar hij heeft een nummer op zijn arm! // Jawel. Een lul met een nummer.
Wat nieuw is in dit gedicht en in een aantal andere ‘Laatste gedichten’ is de wat aan Zestig verwante, readymadeachtige praterigheid: ‘Je weet toch wat ze te eten kregen? / Kranten gedrenkt in bloed. / Dat kregen ze smorgens, / smiddags en savonds’.

Maar per saldo zijn die nieuwigheden wat aan de magere kant, als oogst van vier decennia. Het geheel heeft ook een wat hoog hit and miss-gehalte, zeker in de eerste helft van de bundel, al is ‘Najaarsaanbieding’ uit ‘Laatste gedichten’ ook nogal flauw met dichters-hebben-het-zo-moeilijk-grapjes als ‘(En als mijn / tanden op het asfalt slaan:) // Alweer veertien exemplaren…’ Tja. Zingend naar huis pakt door de verzameling geslaagd en niet zo geslaagd werk, onevenwichtig uit, handvol fraaie gedichten of niet.

 

 

De lezer blijft peinzend en knikkend achter

Ilse Starkenburg is geen dichteres van de complexe, moeilijk te ontwaren metaforen – zoals veel, met name jonge puzzelpoeëten dat tegenwoordig vaak wel zijn. Toch kan Starkenburg met haar relatief eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik in een schijnbaar simpele vergelijking hele universa oproepen. Maar waar dat in eerdere werken met verve werd uitgevoerd, blijft de beeldspraak in De boom valt op mij veelal jammerlijk steken in het oppervlakkige.

In lijn met eerder werk zoomt ook Starkenburgs jongste bundel in op de gemakken en ongemakken van het menselijk contact. In dit geval vooral de ongemakken, aangezien vooral gevoelens van vervreemding prominent door de regels dreunen. Dit is niet de vervreemding op de moderne manier zoals die vaak aan de kaak gesteld wordt: toenemende eenzaamheid, individualisering, afstomping en stress door social media en smartphones gepaard met een vervreemding van de fysieke wereld en maatschappij waar mensen deel van uitmaken. Kritieken hierop zagen we in recent poëtisch werk van Eva Rovers, Thomas Möhlmann en de duettenbundel van Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens.

Nee, de vervreemding die Starkenburg in haar hoofdletterloze gedichten belicht is van een zuiverder orde. Zo beschrijft zij in het naar een Grieks eiland vernoemd gedicht ‘Santorini’ hoe de mens natuur thans ziet als iets dat buiten de samenleving ligt, als een uitstapje waarvan je uiteindelijk weer terugkeert – in plaats van de leefomgeving waar wij inherent onderdeel van uitmaken:

‘ik bekijk de rotsen en de zee
alsof ik in een dierentuin
langs kooien loop waar
rotsen en zee in opgesloten zijn’

Ook de vervreemding die volwassenen ervaren ten opzichte van het leven als kind en jongere, waarvan de vaste zekerheden zijn weggevallen en hebben plaatsgemaakt voor eigen en opgelegde verantwoordelijkheden, komt aan de orde. Het gedicht ‘gedachteoefening’ begint typisch Starkenburg ogenschijnlijk met een doodgewone, haast zakelijke observatie:

‘gisteren was een feestdag
vandaag is
een gewone dag
die zijn naam deelt
met vele andere dagen

alsof hij iets gemeen heeft
met die naamgenoten’

Ze beschrijft met zeer simpel en staccato taalgebruik hoe naamaanduidingen ogenschijnlijke overeenkomsten kunnen suggereren die er in werkelijkheid niet zijn. Dan, in de laatste strofe:

‘vroeger was dit de dag
dat ik gymnastiek had
maar ik heb geen gymnastiek meer
terwijl, er bleven dinsdagen komen’

Ineens gaat het gedicht tevens over verdwijnende zekerheden waar een mens voorheen nog op kon terugvallen. Met eenvoudige taal en korte regels weet Starkenburg beelden op te roepen waarin diepe inzichten en gevoelswerelden besloten liggen. Een zeer knappe gave, die ook in de gedichten ‘Horizontale boom’ en ‘Haputt’ kundig naar voren komt.

Helaas zijn niet alle gedichten van bovenstaand niveau. Met name in de tweede helft van de bundel slaat de kracht van Starkenburg, het oproepen van complexe emotionele situaties met simpel en direct taalgebruik, om in een zwakte. Dan resteren vaak enkel wat eenvoudig geformuleerde regels – en blijft de diepgang achter. Zoals in het gedicht ‘De dochter van’:

‘ik ben bezig schriften na te kijken
de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

ik maak een krul, ik zet een streep
de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

lees ik hier dagboeken van andere kinderen
ik lach ze niet uit, ik lach ze toe

ik zit schriften na te kijken
ik kom mijn eigen handschrift tegen

welk cijfer moet ik mij nu geven
ik maak een aarzelende krul’

Ontbreken van dieper inzicht
Het thema en de opbouw van het gedicht hebben alle ingrediënten voor een typisch Starkenburgiaans poëem, dat de lezer peinzend en knikkend achterlaat. Toch komt een eventueel dieper inzicht hier niet aan, omdat het ontbreekt aan die diepere laag. Aan deze kwaal lijden veel gedichten in de bundel, waardoor ze blijven steken in het oppervlakkige.

Het meest spijtige aan De boom valt op mij is dat veel van de mindere gedichten wel schreeuwen van potentie. Dat is met name in het geciteerde ‘De dochter van’ te proeven. Had een iets meer gelaagde schrijftrant, een iets minder recht-voor-zijn-raap-stijl tot een bevredigender resultaat geleid?, aldus vraagt de lezer zich af.

Het antwoord lijkt ja. En niet alleen omdat dit te voelen is in de gedichten uit de bundel die wel geslaagd zijn. In eerdere boeken bewees Starkenburg haar talenten al. Sla eens haar laatste dichtwerk van alweer tien jaar geleden, Gekraakt klooster, open. De ene na de andere poëtische parel passeert in die bundel de revue, met citaten als ‘we spraken / van die wittewijzinnen’. Mocht u die bundel in handen krijgen, lees dan het gedicht ‘met iemand wachten’, over een sleets wordende relatie. Of raadpleeg in de nieuwe bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer Starkenburgs gedicht ‘de misstap’, dat de plek in die imposante poëziecollectie dubbel en dwars verdiende.

Hoewel De boom valt op mij een aantal echt indrukwekkende hoogtepunten kent, mag van een gedistingeerd dichteres als Ilse Starkenburg meer worden verwacht. De meeste gedichten blijven achter bij het niveau dat de auteur eerder toonde. De uitschieters in de nieuwste bundel bewijzen dat Starkenburg nog steeds over haar talenten beschikt. Hopelijk komen die in een toekomstige bundel weer prominenter naar voren.

 

 

Een rasechte lyricus aan het woord

‘geen ander antwoord’ zijn drie woorden uit de verantwoording van deze bundel gedichten van Frans Kuipers (Vught, 1942). Gewoonlijk staat in zo’n verantwoording dat sommige gedichten in iets andere vorm elders al eens gepubliceerd zijn of wordt de aanleiding van een bepaald gedicht nader toegelicht. In dit geval is dat anders. Frans Kuipers schrijft in de verantwoording van de bundel Geen ander antwoord hoe hij tot de poëzie is gekomen. Een beginselverklaring tot slot dus, want de tekst is de laatste in het boekje. Bovendien besluit deze tekst de veertiende bundel (sinds 1965) die van Frans Kuipers verschijnt, we hebben hier dus – ondanks het beginsel – allesbehalve met een beginneling te maken.

Of het veel verduidelijkt is een andere vraag, en het is zelfs de vraag of verduidelijking überhaupt wel de bedoeling is. Kuipers zegt in zijn verantwoording: ‘Dank ben ik verschuldigd aan stilte en straatgewoel’ en ‘Schatplichtig ben ik aan de raadselachtigheid van wereld en wezens en niet neergelegd heb ik mij bij de faillietverklaring van de fantasie door de eerste beste sterrennacht.’ Frans Kuipers is – dat moge terstond duidelijk zijn – een rasechte poëtische lyricus. Zijn vormentaal is gevarieerd, zijn vergelijkingen buitelen vol afwisseling door elkaar, het woordgebruik is dan weer uitbundig, dan weer stil. Aan neologismen geen gebrek. Een volle pagina dichterlijk proza past naadloos tussen de gedichten.

Ik is het spookhuis, ik is het ongeregelde zootje,
ik is de verenigde staten in voortdurende verandering,
ik is de baas van het beestenspul maar niet heus.   

Dit is heus: van oudsher oproerkraaiers kameraad,
sympathiserend met outsider en zoetwaterpiraat,
ik zei de gek zal u zeggen waar het om gaat:
een paar regels recht voor zijn raap
het duister in dichterlaaie te zetten.


Knipogend

Frans Kuipers’ gedichten zijn nu eens anekdotisch en autobiografisch, dan weer lyrisch, soms alleen maar talig en een andere keer vooral een observatie van de natuur. En onwillekeurig hoor je af en toe de echo van een andere dichter. ‘Ik ben je hei, je kroossloot en wei’… doet dat niet denken aan ‘Je bent de wolken en je bent de hei’ van J.A. dèr Mouw? Zijn de ‘Tabernakels juvenaten putlucht’ geen heimelijke knipoog naar Lucebert? De talrijke gedichten waarin de zee, de branding en de stilte hoorbaar zijn, in twee verschillende afdelingen die beide ‘Schapeneiland’ heten … beluisteren we daarin niet de weerklank van de prins der zeedichters A. Roland Holst? En aan wie doet het werk van Kuipers nog meer denken? Hanlo, Engelman, Achterberg, Kouwenaar …  Met zijn eigen mix van woorden, beeldcombinaties en dissonante wendingen vertolkt Kuipers echter een overtuigend eigen geluid.

Tabernakels juvenaten putlucht,
dat dorpje is verdwenen en de idioot is dood.

 Gebleven alleen
de tjilpemus op zijn twijgje deinend.

 Uit droomstof bekokstoofd
en eeuwig bent u: weegbree, herderstas.

 Putlucht juvenaten tabernakels,
gisterens verloren zoon is vandaags verdwaalde vader.


Voegend naar het leven

Het is zoals vaak een kwestie van je openstellen voor een leeservaring. Dat ook een dichter als Kuipers, net als iedereen onvermijdelijk ouder wordend, zich voegt naar wat het leven kennelijk van je vergt blijkt uit de nostalgie die uit sommige anekdotische verzen spreekt. Zie bijvoorbeeld het prachtige gedicht op p. 42 waarin een herinnering aan vroeger verbonden wordt met de actualiteit van nu – en de toekomst: “… opeens de herinnering aan die andere bus // lang gelden genomen toen …”. En de dichter ging “… en gaat nog steeds.” Hijzelf beleeft daar kennelijk plezier aan, gezien de toenemende frequentie waarmee in de loop der jaren zijn bundels poëzie verschijnen. Op de vraag of de lezer daarmee z’n voordeel kan doen is er ‘geen ander antwoord’ dan: ja.