Op drift geraakt

Je zou kunnen zeggen dat de tweede roman van Sanneke van Hassel gaat over ‘boze Nederlanders’, of zoals Sybrand Buma ze onlangs herdoopte ‘gewone Nederlanders’, en een personage dat daar lijnrecht tegenover staat. In Stille grond zet Sanneke van Hassel haar personages in om twee parallelle werelden uit te werken die elkaar niet of nauwelijks raken en mensen ten tonele te voeren die naast of langs elkaar leven.
Landa en Leon vormen samen met hun pasgeboren dochtertje Cato de ene verhaallijn,  Johannes en een dakloze vrouw die hem uit het lood slaat de tweede.
‘Gewone’ flatbewoners in Rotterdam aan de ene kant en een man die in de opvang er tegenover werkt aan de andere kant. De verbindende schakel tussen beide werelden is de daklozen- en verslaafdenopvang Smallenburg met de bijbehorende volkstuin pal tegenover de goud gespoten flat waar het jonge gezin woont. Voor die volkstuin is Johannes verantwoordelijk.
Op de plaats van de volkstuin had een plantsoentje moeten komen en dat dit niet zo is, zit Landa dwars; het moet en zal er koste wat kost komen. Als tegenwicht tegen alle ellende voor de deur.

Landa en Johannes
‘Het gaat niet goed in dit land, en hier is dat al jaren te zien (…). De mensen zijn op drift, ze zorgen niet meer voor elkaar en al helemaal niet voor de plek waar ze wonen’ meent Landa. Johannes heeft een andere kijk op de zaak, en op de wereld. Al jong vroeg hij zich af waarom mensen ‘elkaar links laten liggen en zelden een ander oprapen.’ Hij kiest ervoor om ‘niet tegen de politiek of het systeem te strijden’, maar om mensen te eten te geven, ze te helpen met hun papieren, en een bed voor ze zoeken. Ook als hij door Wouters, zijn leidinggevende, namens Smallenburg naar vergaderingen gestuurd wordt, blijft hij zijn eigen uitgangspunten trouw.

Tegenover het goed uitgewerkte karakter van tobber Landa staat Johannes, die qua karakter een minder sterke ontwikkeling doormaakt en een gelijkmoedige en zachtmoedige, christelijk opgevoede liefhebber van de motetten van Bach blijft. Hij is in staat ‘de menselijke ellende in toom’ te houden en te overstijgen, hoewel een dakloze vrouw hem het hoofd op hol brengt.
Leon, Landa’s echtgenoot, is een realist. Als hij hoort dat zijn vrouw contact heeft gehad met Jos de Palm van de Volkspartij (gebaseerd op Leefbaar Rotterdam) over ‘het zooitje aan de overkant’, vindt hij dat ze haar tijd beter aan het zoeken naar werk had kunnen besteden. De Palm is overigens een karakter dat als seksistische Bourgondiër wat karikaturaal is uitgewerkt. Landa trekt het contact met De Palm en de Volkspartij zelfs nog wat aan, en gaat mondjesmaat zoeken naar werk. Thuis hebben ze inmiddels een oppas, dus dan gaat dit allemaal wat makkelijker. Toch weet ze niet helemaal wat ze van de Volkspartij moet denken, omdat ze ook weet dat De Palm op de dure grond wil bouwen. Maar van denken komt doen en tegelijk ook, zonder al te grote gevolgen overigens, laten … Een kleine, geestig en beeldend beschreven scène in de roman.

Het boek, dat in een prettige, heldere stijl is geschreven, legt het huidige tijdsgewricht genadeloos bloot. De vraag is wie op drift zijn: daklozen en verslaafden – of verder doorgeredeneerd asielzoekers – of de gegoede middenklasse.
Het verhaal zelf is klein en overzichtelijk gehouden. Er zijn maar een paar personages, elk met zijn/haar eigen vocabulaire. De roman geeft ook onderhuidse kritiek op de al evenzeer op drift geraakte politiek. De ‘gewone burger’ weet de weg naar een politieke partij als de Volkspartij wel te vinden en wordt daar juichend binnengehaald. De daar overheersende vriendjespolitiek wordt overtuigend beschreven. Alles is raak geobserveerd en zorgvuldig genoteerd. Sanneke van Hassel is niet alleen als schrijfster van verhalen maar ook als auteur van romans iemand om te blijven volgen.

 

 

Overval op de westerse mens

‘Wat voor mij gewoon de vaststelling was dat rassen met elkaar onverenigbaar zijn wanneer ze eenzelfde leefomgeving delen, werd door de meesten van mijn tijdgenoten direct beschouwd als een aansporing tot haat en een misdaad tegen de menselijke waardigheid.’

Dat schrijft Jean Raspail in zijn roman De ontscheping (Le Camp des Saints*) uit 1973 waarin de westerse blanke wereld zijn ondergang tegemoet gaat doordat goedbedoelende mensen hun soortgenoten uit ontwikkelingslanden voortdurend willen helpen – de mensen, niet de landen. Deze dienstbaarheid komt voort uit schuldgevoel over de westerse welvaart en de grondslag daarvan: de vroegere koloniale overheersing en de onderwerping en niet zelden uitbuiting van volkeren. Meteen na verschijnen van Le Camp des Saints werd Raspail racisme verweten. Maar in zijn boek is de westerse wereld een beschaving die verdedigd mag worden, al ziet Raspail dat niet gebeuren: ‘Op deze wereld, die ten prooi is aan geestverzwakking, zijn sommige zeer intelligente mensen, zonder dat ze daartoe gedwongen worden, altijd koortsachtig in de weer – of dat nu opbouwend dan wel destructief is.’ Ze kiezen de vlucht naar voren en sluiten hun geestelijke vluchtwegen af, zegt Raspail, met als gevolg: ‘De wereld lijkt wel onderworpen, niet aan één welbepaalde orkestleider, maar aan een nieuw apocalyptisch Beest, een soort alomtegenwoordig monster dat zich als eerste doel heeft gesteld: de vernietiging van het Westen.’

Land van melk en honing
Wat gebeurt er? In De ontscheping laat Raspail een vloot van zo’n honderd nauwelijks zeewaardige schepen vanuit India regelrecht koers zetten naar ‘het paradijs, het land van melk en honing’. Dit paradijs is Frankrijk, door Raspail gekozen als metafoor voor het Westen. Aan boord van de schepen bevinden zich een kleine miljoen Indiërs, armen en paria’s, vertrokken uit Calcutta en andere Indiase havens. De kapiteins gehoorzamen een uit de Apocalyps citerende ‘coprofaag’ (= een uitwerpseleneter) die zich behalve door de Apocalyps ook laat aansturen door een misvormd kind dat hij op zijn schouders draagt.

Tijdens de reis zitten de opvarenden vredelievend op elkaar gepakt te wachten tot ze het paradijs kunnen binnenstromen, ook al is er op de schepen al snel aan alles gebrek, inclusief hygiëne. Onderweg besluiten de coprofaag en zijn kind om de hulp van westerse landen – die inmiddels hebben begrepen wat er gaande is en schepen en vliegtuigen met voorraden sturen – te weigeren, want het doel is enkel en alleen de Franse zuidkust. In niet mis te verstane woorden beschrijft Raspail de vloot: ‘En zo voer naar het Westen een vloot stront en ontaarde zinnelijkheid, maar ook vol verwachting: de armada van de laatste hoop.’ De schepelingen zijn weerloos, meelijwekkend en ongewapend, waardoor politici, ambtenaren, kerkleiders, medialeiders en andere goedwillende cultuurrelativisten – de intelligente mensen waar Raspail op doelt – tegen elkaar te hoop lopen om de armen uit de Gangesdelta te verwelkomen.

Anarchie
Weinigen zien daarin een gevaar. Na de eerste schrik maken de Fransen zich op als gastland terwijl de rest van Europa toekijkt, zo’n beetje als nu Italië versus de rest van Europa. Zodra duidelijk wordt dat deze armada het op Zuid-Frankrijk heeft voorzien, vlucht de bevolking van de Méditerranée naar het noorden, terwijl hulpverleners, studenten, losgebroken gevangenen, arbeiders en anarchisten naar het zuiden gaan om de nieuwkomers de helpende hand te bieden dan wel zich genotvol in de chaos te storten. Het leger wordt ingezet om de orde te handhaven en om de vele aan de kust aangespoelde lijken die vanuit de schepen overboord zijn gegooid te verbranden. Dat is veel militairen te gortig. Ze deserteren en in de wanorde zijn slechts enkelen plus een generaal bereid vanuit het huis van professor de Galguès, die op de eerste pagina’s van het boek de vloot ziet arriveren, het land te verdedigen. Totdat ook zij in de invasie ten onder gaan.

Verdediger van exotische volken
Hoe politiek incorrect dit boek naar vele maatstaven ook is, alle ideeën, visies en meningen van de denkende westerse mens zijn erin vervat, al worden ze door het ontstellende verhaal van de naderende vloot wat ondergesneeuwd. Het is de vraag of het terecht is dat Raspail in de hoek van racisme en rechts-extremisme wordt geplaatst. De schrijver bereisde zijn leven lang alle continenten en bezocht veel exotische volken waarover hij met sympathie schreef. Hij is een verdediger van hun culturen en talen. In De ontscheping gaat het voor de goede verstaander dan ook niet zozeer over een botsing van culturen; vooral de verdeling van de welvaart is het fundament van de verschillen tussen de haves and have-nots. Raspail laat een radiopresentator opmerken: ‘Wanneer op onze gezamenlijke wereld men op nauwelijks vijf uur vliegen een mensensoort aantreft van wie het jaarinkomen de vijftig dollar niet overschrijdt en een andere soort van wie hetzelfde inkomen vijftien- of twintigduizend dollar bereikt, zal men mij niet wijsmaken dat hier geen sprake is van een uitgebuite kansarme tegenover een uitbuiter.’

Wel of niet voorstelbaar?
Gezien de massa-immigratie die Europa momenteel het hoofd moet bieden wordt Raspail vandaag de dag behalve rechts-extremisme een profetische blik toegeschreven. In 1973 koos hij bewust niet voor fictieve migranten uit moslimlanden maar uit India, omdat Frankrijk op dat moment te kampen had met naar het land komende Algerijnen en hij geen vooroordelen wilde bevorderen.

De ontscheping is een uniek en verbijsterend boek omdat het tegelijkertijd niet en wel voorstelbaar is dat de witte westerse wereld door mensen uit ontwikkelings- en onvrije landen overlopen wordt. Gezien de huidige migratiestromen richting Europa is het best denkbaar. Maar het alom geldende witte superioriteitsgevoel, gevoed door vrijheid en democratie, zegt dat het nooit kan gebeuren. Raspail zelf zei in een interview enkele jaren geleden zich te kunnen voorstellen dat het vermengen van rassen goed kan gaan. Daarmee biedt hij na zijn dreigende De ontscheping toch een optimistische blik.

 

* In De ontscheping uit 2016 zijn in de vertaling van Jef Elbers onder redactie van Boudewijn van Houten veel fouten en slordigheden blijven staan. Le Camp des Saints is in 2015 ook verschenen bij uitgeverij Egmont, onder de titel Het legerkamp der heiligen, eveneens in een vertaling van Jef Elbers.

 

 

‘De korst van het denken lospeuteren’

Behalve de titel lijkt alles er uiterlijk op te wijzen dat de peer en ander proza, een dun boekje met veel witruimte, een poëziebundel is. En toch is er nadrukkelijk sprake van proza in de titel, alsof er een statement wordt gemaakt. Hebben we hier te maken met een mengvorm? Begeven we ons in het vage grensgebied of niemandsland tussen proza en poëzie?

Het werk van Bayer is alleszins avant-gardeliteratuur die een fikse inspanning van de lezer vergt, maar die heeft er dan ook baat bij om zichzelf af en toe uit te dagen, te prikkelen en zich los te wrikken uit vastgeroeste leesgewoonten. Daarbij is een gezonde dosis geduld aangewezen, maar vooral moet wie zich in Bayers wereld waagt de neiging onderdrukken om meteen te gaan panikeren als hij niet onmiddellijk ‘begrijpt’ wat er staat: enkel wie zich laat meevoeren door de tekst en openstaat voor het irrationele, haalt de overkant.

Het is grotendeels de verdienste van vertaler, essayist en criticus Erik de Smedt dat het werk van Konrad Bayer in het Nederlands beschikbaar is: hij heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat een aantal boeken van de Oostenrijker in het Nederlands beschikbaar zijn. Die onbaatzuchtige inzet verdient lof, want Bayer is bepaald geen ‘gemakkelijke’ of toegankelijke auteur.

Bayer komt meteen binnen met Het sprookje van de beelden, het eerste prozastuk in deze bundel: hij gebruikt bijna geen interpunctie of hoofdletters, alsof hij de leeservaring zo weinig mogelijk probeert te sturen. Wegwijzers staan er niet: het lijkt wel de bedoeling dat je in Bayers proza verdwaalt. In dit geval gaat het om een surrealistisch sprookje vol associatieve beelden die steevast met het voegwoord ‘als’ worden geconstrueerd: ‘nu verrijst voor haar ogen die eruitzien als meneer theo een ridder die eruitziet als de engelse tuin in münchen uit een spleet die eruitziet als de tafels van vermenigvuldiging in de aarde die eruitziet als een recept voor apfelstrudel en stijgt op in de lucht die eruitziet als wijlen mijn grootvader.’ Enkele voet- of eindnoten zouden overigens wel van pas zijn gekomen in dit boek, onder meer om voor de lezer even te verduidelijken wie Hubert Aratym of Herostratos was. Maar er zijn ook argumenten om die niet te gebruiken: ze staan er in de oorspronkelijke versie immers evenmin. ‘Voetnoten zijn pispotten onder het bed van een boek,’ zei Francisco de Quevedo al.

Een ander interessant stuk is omar, dat volgens vertaler Erik de Smedt in het licht van Bayers fascinatie voor de Sade en Lautréamont kan worden gezien. Door de maniakale herhaling van het woord ‘bloed’ treedt een zekere gewenning op, zodat de laatste regel (‘een dikke bloedstraal spuit in zijn gezicht’) haast gewoontjes klinkt. Dat stemt tot nadenken over de taal en hoe de betekenis van een woord zelfs in een stukje proza van acht regels kan worden verdraaid en ontkracht. Ook Bayers interesse voor sjamanisme en magie kan hierbij een rol hebben gespeeld: de bezwerende herhaling van een woord zou immers magische krachten kunnen oproepen.

Herhalingen en weglatingen spelen in meerdere prozastukken een belangrijke rol. Zo werden in karl een karl alle zelfstandige naamwoorden vervangen door ‘karl’: ‘nu verschijnt karl met karl op de karl en gooit karl op karl in de karl’ Alsof de taal te onbeholpen is, niet geschikt om ons uit te drukken, en je dus net zo goed alle substantieven door een eigennaam kunt vervangen. In zijn interessante nawoord wijst Erik de Smedt daarbij ook terecht op Bayers gevoel voor ritme, dat sterk was beïnvloed door de free jazz van Ornette Coleman. De relatie tussen jazz en de naoorlogse avant-gardeliteratuur was immers zeer innig: niet alleen auteurs van de Beat Generation als Jack Kerouac of Allen Ginsberg deden er hun voordeel mee, maar ook in ons taalgebied bijvoorbeeld Jules Deelder, die dezelfde herhalingsdrang tentoonspreidt in zijn gedicht Intro: ‘Jazz weet. Jazz doet. Jazz laat. Jazz komt. Jazz gaat.’ Als tegenhanger van karl een karl zou je het stuk argumentatie voor de bewustzijnsdrempel kunnen beschouwen, waarin alle substantieven geschrapt zijn (‘aan de die voor de en aan de dat ondanks de van geen’). In zekere zin vullen die twee teksten elkaar dus aan (of zijn het net antipoden).

Bayers meesterschap komt ongetwijfeld tot uiting in de peer, waarin een beet in de vrucht het toegangspunt tot een heel universum is. Het kleine krijgt daarbij kosmische dimensies. Bayer laat de lezer meereizen van het microscopische naar de oneindigheid en terug, op een manier die bij momenten herinneringen aan Borges oproept.

Romance is op het eerste gezicht een kort, idyllisch liefdesverhaal, maar het wordt bewust verstoord met een details en ‘objectieve’ wetenschappelijke informatie: ‘TOEN maandag de 12e januari 1959 na christus, temperatuur -1 graad celsius, 11 uur 35 MET in de hal van het huis wenen 19e district, billrothstrasse 51, theodor billroth, 1829-1894, chirurg, wie was billroth aan het opereren toen het bevel werd gegeven om op de revolutionairen te schieten?’ Weer rijzen een heleboel vragen: wat is informatie, wat zijn feitelijke gegevens, wat doet er toe in dit verhaal? Bayer ondergraaft met plezier de ratio en zet de aanval in op het geloof in een ‘objectieve werkelijkheid’, zoveel is zeker.

In zijn nawoord schrijft de Smet beeldend dat het Bayer er vooral om te doen was om ‘de korst van het denken los te peuteren’. Het moet gezegd: hij slaagt er in dit boekje in om je wereldbeeld op losse schroeven te zetten en zekerheden op te blazen. In dat opzicht staat de peer en ander proza garant voor een meer dan onthutsende leeservaring.

 

‘Geen boek zo slecht of er staat wel iets nuttigs in’

Plinius was senator en consul van Rome maar ook advocaat en letterkundige. Hij leefde van ca. 62 tot ca. 113 na Chr. Hij was een ontwikkeld, humaan en rijk man.
Naast zijn drukke leven in Rome, adoreerde hij het leven op het platteland. Hij bezat een aantal landgoederen waar hij zeer graag verbleef: in zijn geboorteplaats Como, in Umbrië en even buiten Rome. Hij deed niets liever dan zich terugtrekken uit het drukke leven om zich in een van zijn villa’s te ontspannen. Eigenlijk deed hij niets liever dan lezen en schrijven. Hij heeft veel brieven geschreven en een groot deel daarvan heeft hij gepubliceerd in negen boeken. Hij vond zichzelf een belangrijk man, enige ijdelheid kan hem niet ontzegd worden en alles wat hij van belang achtte, kreeg een plaats in zijn Verzamelde brieven.

Uit die brieven heeft Vincent Hunink, classicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, een selectie gemaakt van 22 brieven die over de villa’s van Plinius gaan. Hij heeft ze vertaald en toegelicht.
In de twee langste brieven beschrijft Plinius uitgebreid zijn landhuizen in Rome, Umbrië en Como, met veel aandacht voor de architectuur van de villa. Hij vertelt over de inrichting van het huis met zijn haast eindeloze reeks eetkamers, privévertrekken, koud- en warmwater badkamers, massagekamers, speelkamers, rustkamers, voorraadkamers en natuurlijk de wijnopslag.
Voor elke kamer geeft hij aan op welk tijdstip van de dag in de volle zomer het zonlicht naar binnen valt. Dan volgen nog beschrijvingen van de slavenvleugel, van terrassen, verdiepingen, atria’s, paviljoens, zuilengalerijen, om te eindigen met een beschrijving van de ligging van de villa en de planten in de tuin (‘de golvende acanthus, de prachtige buxus’).

Die beschrijvingen zijn weliswaar uitvoerig maar Plinius heeft zich vooral toegelegd op het beschrijven ervan in literaire zin; het is niet zo dat zo’n villa zich als het ware voor je ogen ontvouwt. Hunink schrijft in zijn Inleiding dat het jammergenoeg niet mogelijk is gebleken op basis van Plinius’ beschrijving zo’n villa  te tekenen; deskundigen hebben de moed opgegeven een reconstructie te maken.

Plinius schrijft vooral over wat het huis hem doet, waarom hij er zo graag vertoeft en hoe hij zijn dag besteedt. Een aantal brieven gaat expliciet over zijn ‘welbestede dagen’. De ontspanning begint met het weg zijn uit Rome, geen ‘saaie beslommeringen’ meer aan je hoofd. Geen kletspraatjes met anderen, maar met jezelf en je boeken in gesprek zijn. Hij raadt het iedereen die een brief van hem krijgt aan: ‘Vandaar mijn raad aan jou. Die herrie, dat domme gedoe, die absoluut futiele bezigheden, geef ze op zodra je de kans krijgt en wijd je aan de literatuur.  Of aan ontspanning. Want zoals onze vriend Atilius met zoveel wijsheid én humor zegt: beter ontspannen dan druk met niets.’

Plinius idealiseert de tegenstelling tussen het drukke leven in Rome, en de rust en ruimte op het platteland of aan zee. De plichten die hem aan Rome binden en die hij zegt te ervaren als knellende banden, ruilt hij graag in voor ruimte voor literatuur in een oase van rust. Zoals Hunink in de inleiding schrijft is het ‘gespeelde eenvoud’, want tegelijk beseft hij zijn verantwoordelijkheid voor het besturen van een stad als Rome. Hij lost deze tegenstelling op door te schrijven ‘de vroegste en middelste perioden van ons leven moeten we namelijk besteden aan het vaderland, de laatste aan onszelf. Zo staat het ook in de wet: een man op leeftijd mag zich terugtrekken uit het actieve leven.’ Hij beklaagt zich er vervolgens dan wel weer over dat hij niet weet wanneer die tijd voor hem komt. In elk geval niet te vroeg.

De brieven van Plinius zijn mooi geschreven en prettig om te lezen. Daar heeft hij ook erg zijn best op gedaan. De informatie die er in staat is evenwel niet altijd interessant of  bijzonder, maar zoals hij zelf schrijft in elk boek staat wel iets nuttigs. Zo geeft dit boekje enig inzicht in het leven van een drukke Romeinse politicus. Zijn lofzang op het buitenleven is van alle tijden, evenals het zoeken naar een balans tussen arbeid en rust

100 jaar na Chr. zijn er vragen geformuleerd die ons 2000 jaar later nog steeds bezig houden. Als je zijn brieven zo interpreteert, zijn ze verrassend actueel.

 

 

Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre ‘sleutelen’ tot er bijna niets van overblijft. ‘het schrompelt als een kriks ineen’, zou men vrij naar ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die ‘totale poëzie’ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, ‘korte en zeer korte’, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poëtische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.

Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en ‘De nieuwe stijl’. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog ‘fout’ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geïllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).

Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.

Willemsbrug mei ‘40
Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
– De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

In de ‘Lof van de poëzie’ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.

Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
Wat niet? Een echo van een echo
is het woord. Maar menigeen
die geen vermoeden heeft van poëzie,
ziet soms de wereld in haar wonder licht.

Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld ‘Schaars licht’, ‘Vermiste stad. Rotterdamse kwatrijnen’, ‘Verspreide gedichten’, ‘Vroege verzen’ en ‘Vertalingen’, plus een opstel uit 2005 met de titel ‘Kan rijm nog?’. Ook relevant zijn de ‘Aantekeningen’ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.

De dichter, in het stugge woord bedreven,
die zijn gesloten hart nors openstelde,
sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: “Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.” Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn ‘Nieuw Rotterdam’, “Hier is geen plek voor nietigheid.” Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.

 

 

 

Maangodin met angst voor een draaikolk

Als je De schone slaper van Allard Schröder leest, kun je niet om de beroemde vertelling heen van Selene en Endymion uit de Griekse mythologie. De maangodin Selene wordt, tijdens haar rit langs het hemelgewelf verliefd op de jonge, slapende herder en drukt hem steeds een kuise zoen op de lippen.

Schröder verpakt het niet, hij legt het er dik bovenop. De hoofdpersoon van zijn roman heet Sélène, ze raakt in de ban van een jongen die Endy heet en ze belandt tijdens een verdwaalde tocht in een museum voor een schilderij waarop het verhaal van de maangodin en de herdersjongen staat afgebeeld.  Nadrukkelijke verwijzingen als deze willen de lezer nog wel eens onzeker maken: ziet hij andere verwijzingen over het hoofd? Zijn ze belangrijk voor wat de schrijver hem of haar wil zeggen? Soms is het gevolg dat je overal wat achter gaat zoeken, dat je het bedrijf waarin de hoofdpersoon tot de allerhoogste functie opklimt, dat continu als het Concern wordt aangeduid, als de Olympus gaat beschouwen.

Het kan afleiden, zo’n leeshouding. Benader een roman sec als een ingewikkeld cryptogram en het gevaar is groot dat je voorbijgaat aan de esthetische ervaring. Dat zou zonde zijn bij De schone slaper, want Schröder heeft zijn bekende gepolijste stijl toegepast en het resultaat is een duister, maar wonderschoon sprookje.

De hoofdpersoon heeft een gemankeerde jeugd gehad – al te strenge, elitaire ouders en afgeschermd van ‘gewone’ kinderen – en dat heeft haar keihard gemaakt, onverschillig voor het geluk of het welzijn van anderen. Dat is een gunstige voorwaarde voor wie de top wil bereiken. Met een voortdurende minachting voor al haar kruiperige collega’s en ondergeschikten, schiet ze al manipulerend en bevelen gevend naar de top van het financieel concern.

Daar is het eenzaam. Het lijkt Sélène, die weet dat ze door haar ondergeschikten ‘de haai’ wordt genoemd, niet te deren. Er komen pas scheurtjes in haar pantser als ze twee personen ontmoet. De eerste is een mysterieuze vrouw, Justine, met wie ze ’s nachts de bloemetjes buitenzet, die nog meer dan Sélène lak lijkt te hebben aan de ander. Typerend is de scène waarin Sélène met Justine kennismaakt: in een parkeergarage kleineert Justine een man tijdens een sadomasochistische seksscène. De nachtelijke avonturen van het duo nemen mythische proporties aan – inbreken wordt de gewoonste zaak van de wereld – en op een gegeven moment verzucht Sélène dat Justine misschien een voortbrengsel van haar fantasie is geweest.

De ander die Sélène’s stoïcijnse levenshouding aan het wankelen brengt, is haar jongere neef, Endy. Die komt studeren in haar stad en met tegenzin laat ze toe dat hij tijdelijk bij haar woont. Sélène, een knappe verschijning van middelbare leeftijd die veel bewonderaars heeft maar zich met niemand inlaat, voelt zich aangetrokken tot de jongen en begint een hachelijk spel.

De apotheose, met een overhaaste vlucht uit haar woning, is slechts ten dele het gevolg van haar geworstel met Endy’s aantrekkingskracht. Haar huishoudster en haar criminele zoon spelen een wat onwaarachtige, maar allesbepalende rol. Uiteindelijk voelt Sélène zich zelfs in Florida, waar ze zich onder een andere naam verbergt, niet op haar gemak. Er is een diepe, mysterieuze angst in haar, een duistere draaikolk, zo noemt Schröder dat in één van zijn magistrale zinnen: ‘Nooit mocht ik in zijn maalstroom terechtkomen, bang als ik was dat hij me zou meezuigen naar een plek waartegen ook een ijzeren zelfbeheersing als de mijne niet bestand was – daar in het kolkend zwart van dat oog zou dan dat andere wakker worden, dat hatelijke, dat weerzinwekkende dat ergens in mij sliep.’

 

De mens moet geen god willen zijn

In Druiven der gramschap (Grapes of Wrath) (1939) trekt de boerenfamilie Joad weg uit Oaklahoma vanwege de grote droogte, de Great Dust. De akkers, die de leden hebben gepacht leveren niets meer op en ze zien California als het land waar het allemaal veel beter zal zijn. Of in Bijbelse termen: het Land van Belofte. Predikant Jim Casy vergezelt hen, gekweld door twijfels aan zijn geloof.
In Ten oosten van Eden (East of Eden) (1952) leveren twee broers strijd om de liefde van hun vader. In die roman draait het om de vraag wat God voor iemand is als hij de ene mens in het ongeluk stort en de ander alle gunsten toebedeelt. Een Kaïn en Abel-verhaal in een 20ste eeuws jasje.

Maar al veel eerder, in 1933, stelde de schrijver van die romans, John Steinbeck, dat soort vragen in To a God Unknown. Die roman verscheen in Nederland in 1953 onder de titel Aan een onbekende god en is nu in een herziene vertaling opnieuw uitgegeven in de afdeling Klassiek van de jonge uitgeverij Bint (opgericht in 2016). De roman is in veel opzichten een soort oerversie van de andere twee.

Om maar met de conclusie te beginnen: Aan een onbekende God is minder indrukwekkend (vooral in de dialogen) dan Druiven der gramschap en Ten oosten van Eden. Maar voor wie die twee romans las (of de verfilmingen zag), is het interessant om te zien hoe Steinbeck hier met dezelfde thema’s in een soort oerstadium in de weer is. Ook hier de arme boerenbevolking, de strijd tussen goed en kwaad, de vraag naar zingeving, de broederrivaliteit. En ook deze roman wemelt weer van de Bijbelse verwijzingen. Die zitten in namen, in woordgebruik en in scènes, maar ook meer verhuld in symboliek (de betekenis van water, bomen, rotsen bijvoorbeeld) en thema’s als schuld, boetedoening en opoffering. Dat is niet verwonderlijk omdat Steinbeck, in het Anglicaanse gezin waarin hij was geboren, de Bijbelse verhalen met de paplepel ingegoten kreeg. Toch worstelde hij al jong met godsvragen en de rol van religie in het leven.

Zegen
Hoofdpersoon van Aan een onbekende god is Joseph, de derde van vier broers Wayne, die besluit de ranch van zijn familie te verlaten omdat die te weinig plek biedt voor de velen die van het land moeten leven. Hij is de oogappel van zijn vader John, van wie hij de zegen ontvangt om in California een nieuwe toekomst op te bouwen. Op zijn reis ernaar toe ontmoet hij een paar mannen van Indiaanse afkomst die hem vertellen dat die streek in de eeuw ervoor een groot aantal jaren werd getroffen door een grote droogte die alle boeren verjoeg. Niettemin zet Joseph zijn plan door. Als hij met succes een bedrijf weet op te zetten komen, na de dood van vader John, zijn broers Burton, Thomas en Benjamin met hun vrouwen eveneens over. Joseph zelf vindt ook een vrouw, de belezen lerares Elizabeth.

Maar het onvermijdelijke gebeurt. Na succesvolle jaren teistert een grote hitte het gebied. Veel vee sterft en de voedselbronnen raken uitgeput. Uiteindelijk beslist broer Thomas met het overgebleven vee weg te trekken naar vruchtbaardere streken. Joseph blijft achter in een onwrikbaar geloof dat de regens terug zullen keren en dat hij daar verantwoordelijk voor is. Hij voelt zich vergroeid met de plek en met de aarde. Het leidt tot een dramatisch offer, waarna de regen inderdaad terugkeert.

Eik
Ondertussen zijn we getuige geweest van allerlei verwikkelingen rond dood en leven, de bestemming van de mens, geloof in een God of in de natuur en de botsing tussen oude (Indiaanse) cultus en nieuwe religie. De belangrijkste dramatis personae zijn daar een weerspiegeling van.

Allereerst Joseph zelf. Hij besluit zijn nieuwe boerderij te bouwen rond een enorme eik waarin volgens hem de geest van zijn vader is gaan wonen. Hij voert gesprekken met  de boom als hij om raad verlegen zit.
Zijn oudste broer Burton is diepgelovig, fundamentalistisch zelf. Hij verwijt Joseph dat hij God verloochent en in plaats van Hem een boom aanbidt. Zijn fanatisme leidt tot een wraak die de twee definitief uit elkaar drijft.

Thomas, de tweede van de broers, is een natuurmens, die een band met dieren heeft en het leven neemt zoals het komt: hij kent geen verzet en geen streven naar ingrijpen in de loop der dingen.

De jongste, Benjamin, vertegenwoordigt het losbandige type. Hij trekt zich van God noch gebod wat aan. Dat leidt tot zijn dood als hij de vrouw verleidt van Joseph’s vaquero (veedrijver), Juanito, die hem neersteekt. Een daad die hem door Joseph wordt vergeven.

Rots
Deze Juanito vervult een belangrijke rol in de roman als confrontatie van het geloof van de oude Indianen met de religie van de blanke Amerikaan. Om boete te doen voor zijn daad trekt hij weg. De herinnering aan hem blijft bij Joseph levend omdat hij hem een plek heeft laten zien in een diep bos waar hij naar toe ging om troost te vinden en de eenheid met de aarde te voelen. Het is een met mos begroeide rots waar een bron water levert. Joseph zelf zal er steeds vaker naar toe gaan.

Veel later in de roman zal Juanito Joseph daar weer treffen als het land verdord en verlaten is en alleen bij de rots nog een beetje water te vinden is. Hij adviseert Joseph contact te zoeken met Father Angelo, die zal kunnen bidden om regens. Joseph bezoekt die priester met tegenzin maar krijgt ruzie met hem als ook hij eist dat hij zich bekeert tot God. Joseph besluit tot een ultiem offer. De regens keren terug: Angelo gelooft dat zijn gebed dat heeft bereikt, terwijl voor Joseph vaststaat dat het zijn eigen daad is.

En dan moet nog Elizabeth worden genoemd. Haar huwelijk met Joseph wordt beschreven als een rituele passage. Na de kerkelijke bruiloft in haar stad Monterey, die in Joseph’s ogen een ‘duivelsaanbidding’ was, voert hij haar naar zijn huis dwars door de bergkloof die uitzicht geeft op de vruchtbare vallei. Elisabeth wordt er bang, maar Joseph stelt haar gerust: ‘Dit is de overgang tussen het werkelijke en het reine (…) Gisteren zijn we getrouwd en het was geen huwelijk. Dit is ons huwelijk – door de pas heen.’ Dit doet denken aan de ‘nauwe poort’ uit het Lucasevangelie, maar ook aan het begrip ‘numineus’ van de Duitse theoloog Rudolf Otto (1869-1937). Hij bedoelde daarmee de geheimzinnige spanning die de essentie van elke religie is: iets wat onontkoombaar aan je trekt en tegelijk fundamentele angst inboezemt.

In Aan een onbekende god blijft dit mysterie bestaan. De natuur is onbeheersbaar. Het is een voedende, maar ook angstwekkende kracht. Die is onaantastbaar. Bid. Breng offers. Zoek troost bij een eik. Maar probeer niet voor god te spelen.

Speelse ideeënroman met ongewone kijk op de klimaatverandering 

Dichteres Marsman heeft een  gevarieerde, speelse roman geschreven die een persoonlijke, frisse blik werpt op de klimaatproblematiek. Marsman  zet de lezer over verschillende thema’s aan het denken, maar verliest zich soms in lange uitweidingen over uiteenlopende onderwerpen.

Het tegenovergestelde van een mens is een roman die bestaat uit boekfragmenten, speeches, dialogen, persoonlijke ontboezemingen, filosofische beschouwingen en gedichten. Hoofdpersoon Ida, een schuwe, dromerige studente Aardwetenschappen, begint aarzelend een relatie met promovenda Robin, maar hun onderlinge verschillen zijn echter groot. In dagboeknotities geeft Ida uitleg over haar jeugd.. Ze groeide op in een saaie Vinex-wijk en ging op vakantie naar de Veluwe, fantaseerde dat ze een komkommer was en probeerde door het leven te gaan als een jongen door een piemeltje van klei tussen haar benen te klemmen. Als negentwintigjarige heeft ze nog steeds moeite om uit te komen voor haar homoseksualiteit; tegen vreemden zegt ze dat ze ooit smoorverliefd op een jongen is geweest.  De anekdote vormt de aanleiding tot een boeiende beschouwing over homoseksualiteit als opgelegde identiteit in een heteroseksuele samenleving. Ida is homoseksueel, maar heeft moeite om zichzelf als zodanig te presenteren. Ze wil namelijk niet in een hokje worden gestopt. Ze wil geen buitenstaander zijn in een wereld waarin heteroseksualiteit de norm is. Marsman is op haar best wanneer ze dit soort mechanismen fileert en er haar scherpzinnige commentaar op geeft.

In Het tegenovergestelde van een mens staan de thema’s identiteit en klimaatverandering centraal. Jarenlang zoekt Ida naar een manier om haar leven zin te geven en wanneer ze concludeert dat ze alleen voor zichzelf verantwoordelijk is, besluit ze de buitenwereld zo veel mogelijk buiten te sluiten. Op haar studentenkamer leest ze over de wereld, ze denkt erover na, maar ze komt niet actie om de wereld te verbeteren. Het leven geeft haar echter geen voldoening en ze zoekt naar een hoger doel. Die vindt ze in de aanpak van klimaatverandering. Ze doet als stagiaire mee aan een onderzoek naar de effecten van klimaatverandering in de Italiaanse Alpen, maar hoezeer ze ook haar best doet, een echte activist wordt ze niet. Ze vaart met de wetenschappers mee op het bedreigde stuwmeer, laat zich inspireren op een congres over klimaatverandering en leest in de avonduren lectuur van Naomie Klein of Meghan Daum.

Ida is een denker, en in de loop van haar onderzoek, dat wordt afgewisseld met ongemakkelijke bezoekjes van Robin, raakt ze ervan overtuigd dat de mens de natuur uit wraak vernietigt. De mens roept, maar de natuur reageert niet: ‘We kunnen er niet tegen dat niemand iets terugzegt (…), niet met woorden, niet met een oplossing voor de dingen waar we al tijden mee zitten’. Hij is dus eenzaam, net zoals de jonge Ida, die in een komkommer probeerde te veranderen en niets meer wilde voelen (het tegenovergestelde van een mens). Liefde is de oplossing, maar Marsman laat zien dat relaties niet zo eenvoudig zijn.

Marsman heeft een originele roman geschreven, waarin veel wordt nagedacht. Ida doet mee aan het onderzoek in Italië om haar eigen vragen te beantwoorden, maar haar onderzoek leidt tot nog meer vragen. De lezer moet bereid zijn om zijn gedachten te vormen over het bestaan van de ziel, de definitie van een depressie, het tegengaan van overbevolking, de acceptatie van homoseksualiteit en het vermogen om je in een ander te verplaatsen. Er zit veel materiaal in het boek, autobiografische gegevens, filosofische citaten, fragmenten uit maatschappijkritische essays en poëzie. Het was de eenheid van de roman ten goede gekomen als Marsman zichzelf meer beperkingen had opgelegd en een strengere selectie had gemaakt.

 

 

Een waardig gedragen ongeluk

Hebt u zin om nog eens een complexloos verhalende negentiende-eeuwse roman te lezen van het soort dat niet meer wordt geschreven, maar ziet u er wat tegenop om wekenlang bij een knetterend haardvuur door te brengen of bent u niet voldoende bemiddeld om huispersoneel in dienst te nemen dat voor uw leesgemak gedienstig loodzware turven voor u op ooghoogte kan houden? Dan hebben wij goed nieuws voor u: er is een nieuwe uitgave van Kolonel Chabert, een roman (of novelle) van amper honderd bladzijden en een van de hoogtepunten uit het gigantische oeuvre van Honoré de Balzac (1799-1850). Met de bijna honderd boeken die dat oeuvre beslaat, en dat door de auteur La comédie humaine werd genoemd, introduceerde Balzac een nieuw literair procedé: zijn personages duiken voortdurend op in meerdere delen. Mocht u zich verder willen verdiepen in het leven en werk van een van Frankrijks meest gevierde schrijver, dan kunnen wij overigens De Frankrijktrilogie van gallofiel Bart Van Loo van harte aanbevelen.

Weinig stervelingen slagen erin om het volledige werk van deze schrijver te doorploegen, maar enkele hoogtepunten van La comédie humaine moet elke literatuurliefhebber toch geproefd hebben. Kolonel Chabert is een goed begin. De plot van deze (althans in Frankrijk) onsterfelijke klassieker is genoegzaam bekend: op een dag dient zich bij procureur Derville in Parijs een haveloze man aan die zich uitgeeft voor de dood gewaande kolonel Chabert, een van Napoleons trouwste en meest gewaardeerde officieren. Naar eigen zeggen was Chabert tijdens de slag bij het Pruisische Eylau gewond geraakt en werd hij doodverklaard door de keizerlijke legerartsen van het Grande armée. Naar de gewoonte van die tijd belandde hij met andere gesneuvelden in een massagraf, maar na een tijdje ontwaakte Chabert uit zijn schijndood en kon hij zich met een zeer plastisch beschreven uiterste krachtinspanning een weg naar de oppervlakte banen.

Daarna volgt een herstelperiode en een lange, zware tocht door Europa, tot Chabert uiteindelijk in Frankrijk arriveert. Maar zijn problemen zijn nog niet opgelost: Chaberts erfenis is inmiddels verdeeld en zijn vrouw hertrouwde met graaf Ferraud. Zij wil niets met hem te maken hebben en beweert hem niet te herkennen, zodat een juridische strijd losbarst: Chabert wil zijn identiteit bewijzen om aanspraak te kunnen maken op zijn fortuin. Een proces voeren zou hem echter handenvol geld kosten, en dat heeft de berooide militair niet. Bovendien verzuipt hij in de administratieve mallemolen: ‘Ik ben onder de doden begraven geweest, maar nu ben ik begraven onder de levenden, onder aktes, onder feiten, onder de hele maatschappij, die mij weer onder de grond wil hebben!’ Procureur Derville is bereid om te helpen, maar ook zijn middelen zijn beperkt. De jurist stelt dan ook een schikking met Chaberts voormalige echtgenote voor. Chabert is echter een man van eer die zijn principes nooit opgeeft en weinig voor compromissen voelt: door zijn edelmoedigheid eindigt hij uiteindelijk straatarm in een ‘oudemannenhuis’.

Weliswaar is het taalgebruik in dit boek naar hedendaagse normen bij momenten wat gezwollen en komen de setting en de plot ietwat theatraal over, maar dankzij de scherpe dialogen en de wisselende camerastandpunten is het al bij al verrassend flitsend en modern en op geen enkel moment statisch of saai. Balzac durft weleens een plotwending uit zijn mouw te schudden die wat op het randje is, maar dat vergalt het leesplezier niet – tenminste als de lezer bereid is om zich in te leven in de conventies van de grote negentiende-eeuwse roman. Ook de visie op man-vrouwrelaties moet je in haar tijd zien: dat gravin Ferraud, die in dit boek als een vilein, hebzuchtig secreet wordt voorgesteld, misschien niet eens veel te verwijten valt – in haar tijd had een weduwe immers veelal de keuze tussen hertrouwen en de bedelstaf, en dat ze daarna haar vermogen veilig probeerde te stellen is niet eens zo verwonderlijk – is een overweging die men destijds waarschijnlijk niet gauw zou hebben gemaakt. Deze passage spreekt in dat opzicht boekdelen: ‘De moraal van dit verhaal is dat een mooie vrouw nooit haar echtgenoot – en zelfs niet haar minnaar – zal herkennen in een man die rondloopt in een oude koetsiersjas, met een pruik als een ragebol en met afgetrapte laarzen.’

Balzac, die het woelige tijdperk van de restauratie na de Franse Revolutie schetste aan de hand van zijn tragische personage Chabert, de belichaming van de ondergang van een generatie trouwe aanhangers van Napoleon, stelt zich op als alleswetende verteller die graag in de zielen van zijn geesteskinderen kijkt. Het motto Show, don’t tell bestond duidelijk nog niet: ‘Deze indringende, woordeloze welsprekendheid, die ligt in een blik, een gebaar, in het zwijgen zelf, overtuigde Derville geheel en ontroerde hem hevig.’ Net zomin draaide Balzac zijn hand om voor een levenswijsheid (of tegeltjesspreuk, zoals kwatongen zouden zeggen) meer of minder: ‘Het ongeluk is een soort talisman die onze oorspronkelijke aard versterkt: het vermeerdert bij sommigen het wantrouwen en de slechtheid, zoals het de goedheid doet groeien van diegenen die een edelmoedige inborst hebben.’

Als chroniqueur van zijn tijd wordt Balzac trouwens nog steeds hoog aangeslagen in Frankrijk: zo werd hij uitgebreid geciteerd door topeconoom Thomas Piketty in diens standaardwerk Kapitaal in de 21ste eeuw, een boek waarin hij de processen blootlegt die vermogensongelijkheid veroorzaken. Kortom, laat u niet misleiden door de geringe omvang van Kolonel Chabert: het is een boek waarin enorm veel Franse (literatuur)geschiedenis is samengebald.

 

 

What’s in a design

De redactie van Kluger Hans is in de afgelopen drie jaar twee keer volledig van wacht gewisseld. Stijl en toon van het tijdschrift lijken hier niet onder te lijden. Ergo, steeds beter komt uit de verf waar oprichter Xavier Roelens in 2008 de nadruk oplegde, namelijk dat ‘literatuur iets is tussen lezen en auteur en geen van beiden precies weet wat er staat.’ Zoals de lezer  meer uit een tekst haalt dan de auteur er heeft in gestopt, wordt ook de zin of onzin van een tekst voor een groot deel door lezers bepaald, of die nu recensent zijn of niet. En dan is vormgeving ook nog een ding.

Zin en onzin speelt ook in deze 32e editie van Kluger Hans een rol. Alleen al de titel, ‘Pallaschk’, een niet bestaand woord dat door het af te drukken toch enige betekenis krijgt, al was het maar die van de onzin. Vormgeving en een speelse lay-out horen bij Kluger Hans maar deze 32e editie is een ware lees- en zoektocht geworden. Om het redactionele stuk te lezen moet het tijdschrift een kwartslag gedraaid worden en: Follow the Lyrics. De vraag om een gebruiksaanwijzing laat zich even gelden. Maar we lezen dapper verder, al draaiend en kerend naar gelang de tekst zich wil laten lezen. Het consequente aan deze editie lijkt aanvankelijk de paginanummering die, ongeacht hoe de tekst is afgedrukt, rechtsboven en linksonder van de op leesniveau gebrachte bladzijde te vinden is. Wat het doorbladeren van het tijdschrift, terugzoekend naar een bepaalde pagina, tot een duizelingwekkende belevenis maakt.

Je kunt je het plezier van de vormgevers voorstellen. Kom, dit gedicht op de kop en dit verhaal overdwars. Eerlijk gezegd heeft het wel wat wanneer je eenmaal de weerstand die het kan oproepen, overwonnen hebt. Toch zijn er teksten die aan de vormgeving ten onder kunnen gaan. Dat gebeurt een beetje met de twee gedichten van Greetje Kruidhof, (al doorbladerend zijn ze niet terug te vinden, ze lijken verdwenen, hoe vreemd, ah wacht hier staan ze). De gedichten staan op een wit blad, met witte letters in een mintgroen balkje, schuingedrukt op de bladspiegel, het tweede gedicht op de volgende bladzij, schuin op zijn kop (waarbij dan tegelijk opvalt dat de paginanummering toch niet zo consequent is als gedacht). Korte gedichten waar vooral bij het tweede, ‘Dood is een soort doofstom’,  de vormgeving in de weg zit. Het tijdschrift laat zich lastig openvouwen, je moet het een kwartslag draaien om dit stollend mooie gedicht, dat in een schuine hoek haast van de bladzijde glijdt, tot je te nemen:

Dood is een soort doofstom
dat zich uitbreidt in je lijf.

Je wordt een pop in cadeauverpakking
zonder dat iemand die uitpakt

Je bent niet langer gevoelig voor trillingen
of voor klappen op het hoofd.

Van de haar in je oog weet je niets
Als iemand je rechtop zet, val je om.

Dood is gewoon
niks anders dan gisteren.

Worstelend met de tekst door de vormgeving heen. Maar dan: waar geworsteld wordt, wacht onderspit of overwinning. En dat laatste is het. De speelsheid van de verscheidenheid in dit blad, scherpt de geest omdat je er wat voor moet doen.
Er zijn mooie stukken proza en poëzie. Het verhaal (normale blad ligging) Zomerzwaarte van  Annemarie Peeters over vriendschap, een kinderwens en de twijfels daarover als je een vriendin ziet worstelen met de impact die een kind met zich meebrengt: “‘Vakantie? Het komt eruit als een schreeuw, rauw van snot. ‘Ik heb al meer dan twee jaar geen dag vakantie meer gehad! Geen dag, ik zeg het je!’ Ze loopt naar buiten met het kind op haar arm. Anouk staat op en verdwijnt in de toiletten.Wen er maar aan, echoën haar oren in de stilte.”

En Hier wonen de mensen van Lies Gallez in 16 genummerde alinea’s, verdeeld over vier pagina’s waarbij de volledige conventionele lay-out is losgelaten. Een verhaal in sterke beelden waarvan hier alinea 16: “Voor het eerst in mijn leven had ik een gewoonte. Op zondag ging ik naar mijn vader. En ik stak mijn duim op naar de buurman. Ik geloofde dat ik ergens moest zijn. En daar was ik.”

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist, een bijdrage van Dries van Doorn. Het gedicht nader tot u, een vierluik met entr;actes (waarin hij zij eigen werk ondertiteld en van commentaar voorziet), zet voor een moment onze visie over  het wereldgebeuren te kijk.
De kleurige collages van Pieter De Clercq, in dieproze en goudbruin met titels als; ‘I Hope There is Some Room Left in the Middle’ zijn een prettige onderbreking van de teksten. Naar mate er meer ontdekt wordt, des de groter de vreugde over het aanbod, het vernuft van de constructie en de plek voor iedere auteur en kunstenaar is een genoegen te ontdekken. En wie wil dat niet: ontdekt worden.

Een Kluger Hans waar je niet zo maar klaar mee was. Dat niet alleen omdat witte letters in mintgroen, of mintgroene letter op een wit fond zich moeilijk lezen laat. Toch werkt het door, dat anders kijken naar een tekstpresentatie. Na dit leesavontuur kan het zomaar gebeuren dat je overweegt de boekenkast opnieuw in te richten. Op alfabet maar dan te beginnen met rechtsonder de A en eindigend linksboven met de Z.

Verder met bijdragen van Moya De Feyter, Salomé Mooij, Dorien Couton, Rinske Kegel, Anna Van Hoof, Greetje Kruidhof, Drien Van Doorn, Pim Cornelussen, Maciek Chełmicki, Lies Gallez, Annemarie Peeters, Eline Crols, Mattijs Deraedt, Anneleen Van Offel, Lander Severins, Stefanie Huysmans, Daniël Vis, Hans Depelchin, Bas Tuurder, Lies Jo Vandenhende, Nils Geylen, Janine Jongsma, Jill Marchant en Leen Pil. Beeldbijdragen van Jan Laroy en Pieter De Clercq.

In samenwerking met Jeugd & Poëzie (Soet-poëzieprijs), Creatief Schrijven (Naft voor Woord) en De Optimist.

 

Kijk voor meer of een abonnement op: KlugerHans

 

 

Modiano’s spel met de lezer

Aan het einde van het derde seizoen van Netflix’ successerie Fargo zegt één van de hoofdpersonen: ‘The past is unpredictable. Which of us can say what actually occurred, and what is simply a rumour, misinformation or opinion?’ Daaraan zou je de herinnering kunnen toevoegen. Wie weet immers nog wat ergens precies is gebeurd, als het uit het geheugen moet worden opgediept?

Wie een herinnering navertelt zal bovendien vrijwel altijd, bewust of onbewust, proberen deze een beetje mooier te maken dan die in feite is. Weinigen zullen nooit een verhaal een beetje aangedikt hebben zodat het een net wat spannender en indrukwekkender avontuur lijkt dan het in werkelijkheid was. Daar komt nog bij dat een verhaal, dat doorgaans een volgorde is van logisch achter elkaar gelegen elementen waar een gedachte achter lijkt te zitten, per definitie de realiteit geweld aan doet. Die heeft namelijk altijd iets onlogisch: er is geen vooropgezet plan voor de werkelijkheid. We kunnen de werkelijkheid pas achteraf (proberen te) ordenen.

Een schrijver vertelt echter altijd een verhaal. Hij of zij doet dat, uitzonderingen daargelaten, door een logische plot te verzinnen waarin de personages meebewegen in een avontuur in een door de schrijver als scheppergod gecreëerd universum.  De realiteit van romans heeft dus doorgaans wél een vooropgezet plan.

Patrick Modiano is een schrijver die het –letterlijk– obscure verleden onderzoekt en wiens hoofdpersonen ‘tevergeefs naar de sporen van verdwenen mensen zoeken. (…) [H]et geheugen wordt steeds opnieuw ondervraagd en [het] schiet steeds weer tekort’, zoals romanist en Modianokenner Manet van Montfrans het verwoordt.

Modiano vraagt zich af hoe je een (jeugd)herinnering kunt navertellen zonder de gebeurtenis zelf geweld aan te doen, en wat ons geheugen nu eigenlijk vermag. Het interessante aan de Nobelprijswinnaar van 2014 is dat hij erin slaagt de lezer te doen geloven dat hij werkelijk de herinneringen opschrijft zoals ze zich in z’n hoofd bevinden. Dat wil zeggen: herinneringen die met twijfels zijn omgeven. Hij is niet zeker over hoe het met deze of gene afloopt of hoe het met hemzelf afliep in die bepaalde herinnering. Over zijn werken ligt, kortom, altijd een sluier van onduidelijkheid omdat herinneringen dat nu eenmaal zijn. ‘Het lijkt erop dat ons geheugen soms een proces doormaakt dat vergelijkbaar is met dat van polaroidfoto’s.’, zoals hij schrijft in één van de verhalen die Querido nu heeft gebundeld in de Nederlandse vertaling.  Herinneringen vergelen, verbleken. Uiteindelijk blijven alleen vage contouren over.

Die bundel is uitgegeven onder de titel ‘Trilogie van een beginnend schrijverschap’ en de romans ‘Verdaagd verdriet’, ‘Bloemen en puin’ en ‘Hondenlente’ zijn erin vervat. De eerste en derde verschenen overigens ook in een door Modiano zelf samengestelde en zo genoemde ‘ruggengraat’ van zijn oeuvre in 2013. Onduidelijk is of het ook de bedoeling is van Modiano dat ‘Bloemen en puin’ ertussen staat, maar feit is dat de drie boeken goed bij elkaar passen. Ze gaan in ieder geval stuk voor stuk over een ik-figuur die verhaalt over de sporadische aanwezigheid van zijn moeder en vader, de veelal obscure zaakjes waarin zij en hun vrienden zijn verwikkeld en mistige herinneringen aan bijna vergeten vrienden. Het beginnende schrijverschap komt eigenlijk niet zo heel erg naar voren, en is ook niet het belangrijkste.

Problematisch wordt het wel als de verschillende boeken niet meer zo gemakkelijk te onderscheiden zijn en de lezer niet meer weet of een bepaalde figuur nu ook al in de vorige romans opdraafde. In simpele bewoordingen is dat verwarrend. Tegelijkertijd lijkt de schrijver ook een ingewikkeld spel met de lezer te spelen. Door verschillende figuren terloops terug te laten keren in de geschiedenis van ogenschijnlijk dezelfde hoofdfiguur beleeft de lezer als het ware precies wat de schrijver probeert te beschrijven. Een soort terugkerende déjà-vu, gecreëerd door Modiano als scheppergod.

Zo zijn de boeken precies wat ze proberen te beschrijven en leidt Modiano de lezer om de tuin. Het bundelen van drie soortgelijke verhalen schijnt daarmee een interessant nieuw licht op zijn oeuvre. Het verleden is dus zeker onvoorspelbaar, al is dat iets minder het geval voor de schrijver zelf.

 

 

 

 

Waar het surrealisme binnen dendert

In een klein dorp aan de rand van de wereld waar de winter weigert te wijken voor de zomer en de mensen een laagje ijs om hun hart hebben, woont de 11 jarige Nhung. Haar vader is vertrokken, niemand weet waarheen, haar labiele moeder is een prooi voor Chinezen met maffiapraktijken. Nhung krijgt een deel van de verantwoordelijkheid voor bezit en geld op zich geschoven, maar weigert te tekenen voor het overdragen van de achtertuin aan de Chinezen.

Fantasie als steun
Daarmee ontspint zich een magisch-realistisch verhaal waarin het meisje op zichzelf is aangewezen en de auteur haar als steun een fantasierijke geest meegeeft. Bezit hebben Nhung en haar moeder niet, de achtertuin is van de gemeente en de handtekening van een kind van elf is sowieso waardeloos.

Dam wil kunst maken
Nhung Dam (Groningen, 1984) is actrice en theatermaker. Vóór Duizend vaders schreef ze enkele toneelstukken die ook in het Duits en Engels zijn vertaald. Bij de roman heeft ze zich laten inspireren door ‘Schrijvers van hier en daar, schrijvers van toen en nu,’ zoals achterin te lezen staat. Soms is daarvan iets voelbaar, manifesteert zich een vage herkenning zonder dat duidelijk wordt wat die precies inhoudt. Net als in Duizend Vaders zijn Dams ouders Vietnamese bootvluchtelingen. Niet dat het boek een autobiografie is. In een interview met het Dagblad van het Noorden zegt ze: ‘Ik wilde kunst maken. Literatuur maken. De ingrediënten die ik tijdens mijn jeugd heb meegekregen heb ik optimaal gefictionaliseerd. Dat mijn hoofdpersoon ook Nhung heet, maakt deel uit van een spel om te zien hoever ik daarin kan gaan.’

IJzig nat dorp
De vader en moeder van het personage Nhung zijn Vietnamese vluchtelingen, ooit aangeland in het dorp Beiahêm – terug te voeren op het Groningse Beijum – omgeven door water. Behalve haar ouders krijgt ook Nhung, daar geboren, te maken met discriminatie, net als de andere allochtonen die er wonen. De witte mensen in Dams verhaal zijn conservatief en oppervlakkig.

De vader van Nhungs beste vriendin Moes lijkt zich over Nhung te willen ontfermen, waar Nhung zich aan onttrekt, totdat een groep mensen besluit te vertrekken uit het ijzige, natte dorp en Moes’ vader haar overhaalt mee te gaan. Dan gelooft zij in zijn goede bedoelingen. Voor het vertrek is wel geld nodig en Nhung verkoopt de meubels om het bedrag bij elkaar te krijgen. Haar moeder is dan al opgenomen in een psychiatrische instelling.

Straf
Nhung vlucht in boeken en verhalen waardoor haar eigen fantasie gestimuleerd wordt. Soms vindt ze een willig oor in Amour, een bohemien die zijn boot in het dorp heeft afgemeerd en aan wie ze een brief voor haar vader geeft in de verwachting dat hij die zal bezorgen. Haar gedachten vertellen aan haar beste vriendin Moes, of aan een vriendje dat haar iets meer lijkt te begrijpen dan andere kinderen, levert consequent reacties van verbazing en desinteresse op. Op school moet zij als straf voor haar fantasie tegen het plafond zweven.

Ongeloofwaardige situaties
Met dit soort scènes dendert het surrealisme binnen. Waar dit bij schrijvers als Murakami, Marquez en Veiga (om maar een paar willekeurige te noemen) volstrekt geloofwaardige situaties oplevert, schiet Dam hier te ver door, en wel zo ver dat de spanning eerder af- dan toeneemt.

Goed surrealisme of magisch realisme, hoe onzinnig ook, overtuigt. In dit boek is wat meisje Nhung allemaal doet en meemaakt vaak ongeloofwaardig. Hoe ze geld verzamelt voor het vertrek en de  knullige manier waarop ze het weer verliest roept niet eens medelijden op. Dat het geld baadt in de rode verf is wel weer een mooie vondst.

De scène in het casino van de Chinezen daarentegen, waar Nhung haar rechten komt opeisen, heeft een hoog realiteitsgehalte. Helaas wordt dat weer teniet gedaan omdat er administratieve taken worden afgehandeld in aanwezigheid van allerlei klanten die niets met de zaak te maken hebben. En dat is weer net niet vreemd genoeg om de situatie een magisch sfeertje mee te geven.

Caleidoscoop
Het boek heeft een lichte toon en deze lichtvoetigheid gecombineerd met de fabuleuze gebeurtenissen en de aan de oppervlakte blijvende personages scheppen afstand. Hoeveel waanzin, bloed en kou er ook komt kijken in Nhungs leven, veel emotie brengen haar belevenissen niet teweeg. Pas als Nhung op het einde met verraad te maken krijgt, weet de schrijver ontzetting op te roepen.

Ondanks een veelheid aan fantasie, surrealistische uitspattingen en vergaande imaginaties zit Duizend vaders goed in elkaar. Dam wekt de indruk te weten wat ze doet en gezien haar uitspraak dat ze kunst wilde maken en als spel wilde zien hoe ver ze kon gaan, zal dat zeker zo zijn. Voor de lezer is haar roman als een caleidoscoop: prachtige kleurige patroontjes, mooi om naar te kijken maar te veel om lang te boeien en houvast aan te ontlenen. Als Nhung Dam haar bedenksels iets meer in toom weet te houden, zal zij nog fascinerende boeken kunnen afleveren.