What’s in a design

De redactie van Kluger Hans is in de afgelopen drie jaar twee keer volledig van wacht gewisseld. Stijl en toon van het tijdschrift lijken hier niet onder te lijden. Ergo, steeds beter komt uit de verf waar oprichter Xavier Roelens in 2008 de nadruk oplegde, namelijk dat ‘literatuur iets is tussen lezen en auteur en geen van beiden precies weet wat er staat.’ Zoals de lezer  meer uit een tekst haalt dan de auteur er heeft in gestopt, wordt ook de zin of onzin van een tekst voor een groot deel door lezers bepaald, of die nu recensent zijn of niet. En dan is vormgeving ook nog een ding.

Zin en onzin speelt ook in deze 32e editie van Kluger Hans een rol. Alleen al de titel, ‘Pallaschk’, een niet bestaand woord dat door het af te drukken toch enige betekenis krijgt, al was het maar die van de onzin. Vormgeving en een speelse lay-out horen bij Kluger Hans maar deze 32e editie is een ware lees- en zoektocht geworden. Om het redactionele stuk te lezen moet het tijdschrift een kwartslag gedraaid worden en: Follow the Lyrics. De vraag om een gebruiksaanwijzing laat zich even gelden. Maar we lezen dapper verder, al draaiend en kerend naar gelang de tekst zich wil laten lezen. Het consequente aan deze editie lijkt aanvankelijk de paginanummering die, ongeacht hoe de tekst is afgedrukt, rechtsboven en linksonder van de op leesniveau gebrachte bladzijde te vinden is. Wat het doorbladeren van het tijdschrift, terugzoekend naar een bepaalde pagina, tot een duizelingwekkende belevenis maakt.

Je kunt je het plezier van de vormgevers voorstellen. Kom, dit gedicht op de kop en dit verhaal overdwars. Eerlijk gezegd heeft het wel wat wanneer je eenmaal de weerstand die het kan oproepen, overwonnen hebt. Toch zijn er teksten die aan de vormgeving ten onder kunnen gaan. Dat gebeurt een beetje met de twee gedichten van Greetje Kruidhof, (al doorbladerend zijn ze niet terug te vinden, ze lijken verdwenen, hoe vreemd, ah wacht hier staan ze). De gedichten staan op een wit blad, met witte letters in een mintgroen balkje, schuingedrukt op de bladspiegel, het tweede gedicht op de volgende bladzij, schuin op zijn kop (waarbij dan tegelijk opvalt dat de paginanummering toch niet zo consequent is als gedacht). Korte gedichten waar vooral bij het tweede, ‘Dood is een soort doofstom’,  de vormgeving in de weg zit. Het tijdschrift laat zich lastig openvouwen, je moet het een kwartslag draaien om dit stollend mooie gedicht, dat in een schuine hoek haast van de bladzijde glijdt, tot je te nemen:

Dood is een soort doofstom
dat zich uitbreidt in je lijf.

Je wordt een pop in cadeauverpakking
zonder dat iemand die uitpakt

Je bent niet langer gevoelig voor trillingen
of voor klappen op het hoofd.

Van de haar in je oog weet je niets
Als iemand je rechtop zet, val je om.

Dood is gewoon
niks anders dan gisteren.

Worstelend met de tekst door de vormgeving heen. Maar dan: waar geworsteld wordt, wacht onderspit of overwinning. En dat laatste is het. De speelsheid van de verscheidenheid in dit blad, scherpt de geest omdat je er wat voor moet doen.
Er zijn mooie stukken proza en poëzie. Het verhaal (normale blad ligging) Zomerzwaarte van  Annemarie Peeters over vriendschap, een kinderwens en de twijfels daarover als je een vriendin ziet worstelen met de impact die een kind met zich meebrengt: “‘Vakantie? Het komt eruit als een schreeuw, rauw van snot. ‘Ik heb al meer dan twee jaar geen dag vakantie meer gehad! Geen dag, ik zeg het je!’ Ze loopt naar buiten met het kind op haar arm. Anouk staat op en verdwijnt in de toiletten.Wen er maar aan, echoën haar oren in de stilte.”

En Hier wonen de mensen van Lies Gallez in 16 genummerde alinea’s, verdeeld over vier pagina’s waarbij de volledige conventionele lay-out is losgelaten. Een verhaal in sterke beelden waarvan hier alinea 16: “Voor het eerst in mijn leven had ik een gewoonte. Op zondag ging ik naar mijn vader. En ik stak mijn duim op naar de buurman. Ik geloofde dat ik ergens moest zijn. En daar was ik.”

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist, een bijdrage van Dries van Doorn. Het gedicht nader tot u, een vierluik met entr;actes (waarin hij zij eigen werk ondertiteld en van commentaar voorziet), zet voor een moment onze visie over  het wereldgebeuren te kijk.
De kleurige collages van Pieter De Clercq, in dieproze en goudbruin met titels als; ‘I Hope There is Some Room Left in the Middle’ zijn een prettige onderbreking van de teksten. Naar mate er meer ontdekt wordt, des de groter de vreugde over het aanbod, het vernuft van de constructie en de plek voor iedere auteur en kunstenaar is een genoegen te ontdekken. En wie wil dat niet: ontdekt worden.

Een Kluger Hans waar je niet zo maar klaar mee was. Dat niet alleen omdat witte letters in mintgroen, of mintgroene letter op een wit fond zich moeilijk lezen laat. Toch werkt het door, dat anders kijken naar een tekstpresentatie. Na dit leesavontuur kan het zomaar gebeuren dat je overweegt de boekenkast opnieuw in te richten. Op alfabet maar dan te beginnen met rechtsonder de A en eindigend linksboven met de Z.

Verder met bijdragen van Moya De Feyter, Salomé Mooij, Dorien Couton, Rinske Kegel, Anna Van Hoof, Greetje Kruidhof, Drien Van Doorn, Pim Cornelussen, Maciek Chełmicki, Lies Gallez, Annemarie Peeters, Eline Crols, Mattijs Deraedt, Anneleen Van Offel, Lander Severins, Stefanie Huysmans, Daniël Vis, Hans Depelchin, Bas Tuurder, Lies Jo Vandenhende, Nils Geylen, Janine Jongsma, Jill Marchant en Leen Pil. Beeldbijdragen van Jan Laroy en Pieter De Clercq.

In samenwerking met Jeugd & Poëzie (Soet-poëzieprijs), Creatief Schrijven (Naft voor Woord) en De Optimist.

 

Kijk voor meer of een abonnement op: KlugerHans

 

 

Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

Goede keuze
De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

Tijdsbeeld en verscheidenheid
Liegend konijn
geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het naast frisse poëten ook bekenden naar als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

Grasduinen
Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ‘tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

 

 

Erotiek en censuur in De Parelduiker

De Boekenweek komt eraan en De Parelduiker lonkt naar het thema van dit jaar Verboden vruchten, met enkele stukken uit de (erotische) literatuurgeschiedenis. 

Er was een tijd dat er eerbare- en oneerbare literatuur bestond en vrijheid van meningsuiting geen groot goed was. Toen erotische literatuur alleen te verkrijgen was in zogenaamde leesbibliotheken die op commerciële basis werkten. Deze leesbibliotheken waren meestal gevestigd in boekhandels of tabakszaken. Het waren particuliere initiatieven waar men een boek kon huren. Ook in die tijd was er de katholieke Informatie Dienst Inzake Lectuur (IDIL) die er op toe zag of een boek niet onzedelijk was.

Marco Entrop, redacteur van De Parelduiker, dook in de archieven van onder meer Nieuwsblad voor den Boekhandel, het katholieke dagblad De Tijd en van het periodieke blad De Bibliotheekhouder – en kwam boven water met de handel en wandel van boekhandelaar/uitgever/schrijver en sjacheraar Cornelis Edelman (1903-1966). Van deze Edelman is niets te vinden op internet – zelfs geen verwijzing naar de editie van deze Parelduiker. Het spreekt tot de verbeelding dat er iemand nog niet in de onderaardse krochten van het internet ligt opgeslagen. Dat er nog archieven worden geraadpleegd, ontdekkingen worden gedaan, en dat het internet niet alleswetende is, dat stelt gerust.

Edelman mislukte als boekhandelaar, uitgever, als echtgenoot en vriend. Onder de schuilnaam Jan Brandts begon hij – als pornografie bestempelde – romans te schrijven. Hoewel van verschillende titels gezegd werd dat ze door anderen waren geschreven en onder de naam Jan Brandts werden uitgegeven. Ook bekende schrijvers, zoals  E. Du Perron schreef erotische literatuur,  (lees het in De Parelduiker).

Boeken werden in beslag genomen, boekhandelaren bekeurd voor de verkoop van dergelijke literatuur. Jaja, dat waren nog eens tijden.

Van Bert Sliggers – verzamelaar van efemere erotica en pornografie – een bijdrage over de verboden realistische romans in relatie tot censuur en uitgeversgeschiedenissen. In de eerste decennia van de vorige eeuw was het nogal een werk om aanstootgevende boekjes als zodanig aan te merken en vervolgens op te sporen en uit de handel te nemen. Vaak met gevolg dat de uitgever of boekhandelaar een gevangenisstraf te wachten stond. Het Handelsblad besteedde in die tijd aandacht aan ‘onzedelijke uitstallingen’ van boekhandels. Leuk gegeven is dat de redactie van Het Handelsblad eens een steekproef nam door te turven hoeveel mensen er bij de tegenover de redactie liggende boekhandel in de etalage keken bij een boekwinkel die er ‘aanleiding’ toe had gegeven en zie, in één kwartier bleven er 52 mensen stilstaan. Dan moesten er wel ‘onoirbare’ boekjes uitgestald liggen.

Censuur kan ook worden toegepast door critici. Wanneer een kunstenaar een omstreden gegeven uit de wereldgeschiedenis zich toe-eigent om te gebruiken voor zijn kunstwerken. Dit gegeven kan door de kunstenaar losgezongen worden van de betekenis die het ooit had. Zoals bij de Schotse kunstenaar Ian Hamilton Finlay (1925-2006), wiens kunstwerken als fascistisch gebrandmerkt werden. Marco Daan schreef een mooi stuk over de hetze die in de jaren zestig rondom Finlay ontstond, waar de beschuldigingen vandaan kwamen en waar het toe leidde.

Het duurde dertig jaar voor het toneelstuk Jan Pietersz. Coen van J. Slauerhoff (1898-1936) in 1961 voor het eerst werd opgevoerd door een Amsterdams studentengezelschap, en dan nog slechts eenmalig en in besloten kring. Wat was er aan de hand met het stuk dat Slauerhoff met grote moeite had geschreven? Want een toneelschrijver bleek hij niet echt te zijn.
Hein Aalders, die gepromoveerd is op de poëzieopvattingen van Slauerhoff en vorig jaar het brievenboek bezorgde, onderzocht de bezwaren en weerstand bij (vooral) burgemeesters die uit angst voor oproer en protesten het stuk verboden. Pietersz. Coen (1587-1629) was verantwoordelijk voor de bijna 15.000 doden op de Banda-eilanden. Enja, waarom daar een toneelstuk aan gewijd? Lees en zie hoe de geschiedenis feitelijkheden in steeds een ander licht zet en waar kunstvormen toe leiden. In de Boekenweek wordt het verboden toneelstuk van Slauerhoff in ieder geval opgevoerd. Voor wie het wil zien, meldt zich hier aan!

Hans Olink, die Theun de Vries (1907-2005) ooit voor De Groene Amsterdammer interviewde, belicht in de rubriek de Berliner Beobachter de periode dat De Vries  in de DDR toetrad tot de Akademie der Künste. De Vries raakte ten tijde van de Koude Oorlog geïsoleerd in Nederland van zijn collega-schrijvers door zijn lidmaatschap van de CPN. In de DDR maakte hij kennis met Anna Seghers, Bertolt Brecht en Ernst Busch.

Jan Paul Hinrichs in Schoon & haaks die mooie rubriek waarin publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers besproken worden. Deze keer over een uitgave van Joeri Olesja, Fritzi Harmsen van Beek, Frans Erens en J.M.A. Biesheuvel.

In De Laatste Pagina een liefdevol eerbetoon aan de Vlaamse dichter Hubert van Herreweghen, die vorig jaar op 95 jarige leeftijd overleed, verzorgd door Paul Arnoldussen.

Het is niet voor te stellen dat bepaalde uitingen verboden worden of kunstenaars en schrijvers worden gebrandmerkt om hun uitingen. Maar dan: alles wat onmogelijk leek, blijkt opeens weer mogelijk te zijn, en zal voer worden voor de toekomstige Parelduikschijvers.

 

 

 

Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de verslavende geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ‘tweezak’ wordt genoemd omdat hij  in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.

Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.

Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt  aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.

Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.

Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.

Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.


Tirade
kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
Kijk ook op Tirade.nu.

 

 

Teksten als legeringen

Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur en kunst en een platform voor vertaalde literatuur, daarin onderscheidt het zich van vele andere tijdschriften. Zoals de redactie aangeeft op hun site, is het streven nieuwe literaire uitzichten te bieden.

Waar de redactie zeker wel in slaagt is altijd weer een intrigerend thema te vinden voor elke editie. Terras #10 heeft als titel Metalen meegekregen. Een thema, dat niet eenvoudigweg als leidraad dient, maar wordt gebruikt om literatuur en kunst vanuit de invalshoek van bijvoorbeeld een stad (Brussel), een begrip (Maken en breken) en nu dus een grondstof (Metalen), te benaderen en te doorgronden, wat tot verrassende stukken kan leiden. Aan deze editie werkten veertig auteurs en vertalers mee.

Miek Zwamborn tekent voor de inleiding, Legeringen en schrijft dat taal bij uitstek een vloeibaar materiaal is: ‘elke tekst is een legering op zich. (…) Een tekst kan altijd weer worden aangelengd of herschreven.’ Wat een mooie omschrijving is van hoe metaal zich verhouden kan tot literatuur. Een zeer interessante bijdrage is, Metalisme en mineralisme, van de Franse (wetenschaps)filosoof en dichter Gaston Bachelard (1884-1962). Een stuk waarin gefilosofeerd wordt over metalen in de literatuur, over alchemie en over ‘Denken en verbeelding’ die hun tegenstelling hervinden. Metaal als materieel protest en bij uitstek de stof van de koelheid. “Om het te ‘temmen’ zal alle energie van de provocerende dromerij nodig zijn.” Een stuk om op te studeren maar evengoed als ondoorgrondelijke poëzie tot je te nemen. Wat beklijft dat blijft.

Bij een verhaal van H.G. Wells, dat zich afspeelt in een ijzerfabriek aan het spoor, schrijft vertaler Caroline Meijer in een aantekening vooraf dat het verhaal zelf niet veel om het lijf heeft maar de uitwerking van de rivaliserende relatie tussen de twee mannen des te meer. De kegel is een ijselijk verhaal over twee vrienden waarvan de een de ander met zijn vrouw bedriegt. De bedrogen echtgenoot neemt wraak en Wells laat hem, met de innerlijke kilte van metaal, op overweldigende wijze de minnaar van zijn vrouw, een hel toebereiden. Een verhaal binnen de metaalindustrie, vurig verteld en zeer metallisch.

Toch kan het gekunsteld overkomen teksten te verzamelen die een gemene deler hebben, in dit geval dus metaal. Het wordt een manier van zien, een fixatie waardoor je in alles een metalige grond, kleur, temperatuur, klank, ritme, vorm en reden ziet, dat ook iets afstotends heeft en te maken heeft met de hardheid van het materiaal die als een soort hoekigheid in de teksten terug te vinden is. Het verhaal van Patricia de Groot, Een sterk staaltje is dan ook een welkome afleiding van de filosofisch/technische verhandelingen. Hoewel er een stalen kast in voorkomt, gaat het om de monteur, die de kast in elkaar moet zetten. Het verhaal is in de vorm van een monoloog. Degene door wie de monteur was ingehuurd, is onder het mom van even geld pinnen om hem te kunnen uitbetalen, niet teruggekeerd. De Groot schrijft met vlotte pen, inlevend en droog humoristisch: “Ja, ik dacht, ik ga maar door, ze zal toch zo wel terugkomen. En op welk  punt besluit je dan dat er iets raars aan de hand is? Ik heb daar geen ervaring mee. Dat leren ze je op de opleiding niet.”

Jan Nieuwenhuis, musicoloog en muziekjournalist, schrijft mooi over zijn relatie met metaal: ‘het zijn koude blikken die we wisselen, het metaal en ik. (…) Je bent koud en vlak. Je glanst onaantrekkelijk. Je oogt star, weinig aanlokkelijk, onbuigzaam: kil. Je sluit buiten.’ En over metal-muziek waarvan Nieuwenhuis zegt dat het een muzieksoort is met weinig ontwikkeling, ‘want geaard in vaste vormen.’ Nog dit: ‘Ondanks de vele vertakkingen van het genre is het vele malen eenzijdiger dan de veelzijdigheid van de materie. Het is metaal in oervorm: onbewerkt, rauw en hard.’ Dat maakt deze muziekvorm opeens inzichtelijk.

Net als in alle literaire bladen, wordt er ook gedebuteerd in Terras. Idwer de la Parra kreeg een plaatsje voor twee gedichten. Wat gelijk ook de titel is van zijn gedichten en waarvan Havenwater zich in opbouwende strofen uiteenzet,opblaast, beginnend met: ‘Het is de chaos van het havenwater,/de onderstromen, het blind kopstoten/van golven tegen boeg en kade – het is’. In de vorm van de regels blaast het zich op als een ballon en neemt weer af, slinkt en eindigt met één woord: ‘geweest’. Een gedicht waarin het metaal en de schepen zich op de achtergrond houden.

Die schepen zijn vol in zicht in het werk van de Duitse dichter Nico Beutge in de serie verhalende gedichten ’s Nachts gloeien de schepen, vertaald door Miek Zwamborn. Mooie strofen als: ‘(…) dichter dan kwarts/waar de stroom zich met stof verbindt en de planten/zand in de lucht tekenen, strooilicht, in lagen/zonder geluid (…).’ Gedichten om voor te dragen, gedichten vol verwarring die klinken tot aan een langzaam begrijpen.
En er is nog veel meer in deze Terras. Uren en uren kun je erin blijven bladeren en zoeken en je komt er niet uit en krijgt er maar geen genoeg van. En die nieuwe literaire uitzichten worden inderdaad zichtbaar. Mooie editie.

 

Terras verschijnt twee keer per jaar
Bestellen via de website.

 

De Parelduiker eert de schrijver

In deze tweede editie van De Parelduiker van dit jaar aandacht voor de vrouwen rond Multatuli door Gaia van Bruggen. Dingen over Gerard Reve die we niet wisten maar door de berichten daarover in de media nu natuurlijk wel en voor wie de media niet volgt en wil weten wat er over Reve is losgekomen, gelieve zich deze Parelduiker aan te schaffen.

Er is de rubriek Schoon & Haaks waarin Jan Paul Hinrichs publicaties bespreekt van privédrukkers en marginale uitgevers. Waaronder ook de uitgave bij de Statenhofpers van Brieven aan Nanne Tepper  van Geerten Meijsing valt dat ten tijde van het Brievenboek van Nanne Tepper zelf uitkwam. Een marginale rubriek over interessante uitgaven. In de rubriek De laatste pagina aandacht voor de onlangs overleden vertaalster Térese Cornips en als hoofd’stuk’ een mooie bijdrage van Graa Boomsma over de schrijver A. Alberts.

Boomsma werkt aan een biografie van A. Alberts en schreef over de moeilijke gang van het ontstaan van het ruim veertig bladzijden tellende verhaal De vergaderzaal en de afronding daarvan. Boomsma, schrijver en criticus, belicht de verhouding van Alberts tot het schrijven en tot zijn uitgever, Geert van Oorschot. Aan De vergaderzaal, heeft Alberts, ongelofelijk maar waar, twintig jaar gewerkt voor Geert van Oorschot het eindelijk kon uitgeven. Dat zegt ook iets over Van Oorschot als uitgever, die wist gewoon dat hij goud had met Alberts. De vergaderzaal is dan ook een fantastisch, dicht op de huid geschreven verhaal (geen roman) van ruim 40 bladzijden. Maar ozo fantastisch geschreven en je geniet ervan na als las je een roman. Lees dan ook nog eens De koning is dood, Haast hebben in september en De honden jagen niet meer, van Alberts.

Eens zat deze schrijver klaar voor een signeersessie bij een boekhandel in een middelgrote stad. De schrijver een oude man met een sympathiek, wat boers aandoend gelaat. Boekpresentaties werden nog niet zo gretig bezocht als tegenwoordig. Het zou ten tijde van het verschijnen van zijn roman  Een venster op het buitenhof (1987) geweest kunnen zijn. Er kwam geen mens opdagen. De boekhandelaar zei dat dat wel eens voorkwam en het misschien aan het weer lag. Alberts scheen er niet mee te zitten.

Het was ook voordat A. Alberts (1911-1995) in 1995 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre ontving. In 2005 werd er nog een verzamelbundel van zijn verhalen en romans door Van Oorschot uitgegeven. Maar bracht geen grote vervoering voor zijn werk teweeg. Terwijl het dat wel verdient.

‘De verborgen schatten uit boek en literatuur weer in beeld brengen’, dat is waar De Parelduiker voor staat. Vergeten literatuur wordt dichterbij gebracht. Onderschat de invloed van De Parelduiker dan ook niet. Want elke schrijver waarop dit literaire blad zijn licht laat schijnen, wordt weer tot leven gewekt. Reden om De vergaderzaal weer eens open te slaan. De biografie van Aberts zal eind dit jaar verschijnen bij Van Oorschot. Daar wordt naar uitgekeken.

 

 

Leesbaar podium voor non-fictie

En weer is er een nieuw magazine: De Nederlandse Boekengids. Het nulnummer ligt in de boekwinkel.
In navolging van o.a. The New York Review of Books en het Times Literary Supplement wil de redactie kritisch-essayistische publicaties onder de aandacht brengen om de ontwikkelingen in de wereld ‘op voorhand en als eerste in uiterst leesbare vorm, overtuigend en met kennis van zaken aan te kondigen’.

Doordacht
In feite wordt de nieuwsgierigheid een podium geboden. Nieuwsgierigheid naar culturele en wetenschappelijke inzichten. Dat wil de redactie bereiken door het bieden van ‘bedachtzame en originele stukken die de wereld en de menselijke conditie bekijken door het prisma van het boek en de daarin vervatte kennis en inzicht’.
Er verschijnen per jaar vele duizenden boeken waarin kennis aan de man wordt gebracht. Het is fijn dat er een periodiek is dat die kennis inzichtelijk maakt, zonder al die boeken te hoeven lezen.
Een sympathiek uitgangspunt.

De kortademige paniekzaaierij die nu plaatsvindt in met name de achtergrondprogramma’s op televisie, wordt ingeruild voor inzichten die in de rust zijn ontstaan, waarover is nagedacht. Alleen dat al geeft deze uitgave recht van bestaan.

Podium
In dit nulnummer o.a. een interview met Robbert Dijkgraaf, beschouwende stukken over Erasmus, geschiedenis, de bibliotheek, het economisme. Het zijn essayistische boekbesprekingen, signalementen van veelbelovende titels en rubrieken die de cultuur van het boek centraal stellen. Geschreven door mensen met een grote naam: Willem Otterspeer, Jeroen Stumpel, Hans Goedkoop en anderen.
Kranten, en ook tijdschriften als bijvoorbeeld De Gids richten zich in recensies steeds meer op de literatuur of vullen rubrieken met populaire wetenschap. De Nederlandse Boekengids wil de lacune opvangen die is ontstaan met het wegvallen van een podium voor recensies van wetenschappelijke non-fictie.

Het gevaar is aanwezig dat zo’n blad elitair wordt, geschreven en uitgebracht door en voor een kleine groep mensen. Als het nulnummer inderdaad de voorbode is van meer, is dat niet het geval. De hierin bij elkaar gebrachte artikelen zijn leesbaar, de onderwerpen breed en voor ieder wat wils.
De groep schrijvers en wetenschappers die medewerking hebben toegezegd is evenzo breed, gevarieerd en zowel wetenschappelijk als min of meer populair uit onverdachte hoek. Hoewel: er zitten wel veel mensen bij die ook in programma’s als Pauw of Nieuwsuur regelmatig zijn te zien. Een beetje meer nieuwe gezichten zou verfrissend zijn.

 

Voor het einde van het jaar wil de redactie 3000 abonnees werven, waarmee het blad bestaansrecht heeft. Het nulnummer is verkrijgbaar in de boekwinkel voor € 4,95 (1 + 1 exemplaar om weg te geven.)
Een jaarabonnement kost € 30,- (6 nummers).

 

Literaire ontwikkelingen in een momentopname

De Revisor heeft oog voor kwaliteit en oorspronkelijkheid. Daarbij wordt er meer gelet op de stijl dan op de inhoud van een verhaal. Een goede maatstaf, want waar het verhaal ook over gaan mag, als de stijl niets is, wordt het met dat verhaal ook niets. De Revisor zet dan ook, zo verkondigd hun website, stijl voor boodschap; kwaliteit voor vorm en marketing en wil daarmee het beste podium voor proza, poëzie en het literaire essay zijn. Wanneer je het halfjaarlijks verschijnend boekwerk doorneemt kan dan ook geconstateerd worden dat ze daar steeds weer in slagen. De eerste editie van dit jaar (de tweede is onlangs gepresenteerd) bevat veel, of beter, niets dan prachtige, boeiende en verrassende bijdragen van bekend en ongekend talent. Alles zonder begin of eind dus ook geen plot. Dat levert mooie literatuur op.

Mischa Andriessens Waar het heen moet? gaat over zijn mislukte eerste roman en is het verslag van de strijd een plotloze roman te willen schrijven. Hij faalde met het schrijven van die roman omdat het verhaal hem ergens heen wilde leiden. Daarom werd het niks. Andriessen kiest voor vrije ontwikkelingen in de roman die dus niet vrijelijk kunnen ontstaan als er een bedachte lijn in zit. Betekenisvolle zin hieruit: ‘Later borg ik die roman op in de berging van een inmiddels onbruikbare computer.’

Wytske Versteeg is zo’n schrijver die zonder plot werkt, dat bespeur je in haar verhaal Beesten, waarin je als lezer de draad van een ontwikkeling volgt tussen twee personen die elkaar toevallig treffen en nergens heen gaan.

Wim Noordhoek schrijft in Alle trams rijden naar de hemel een van zijn herinneringen uit. En dat doet hij in korte, sprekende zinnen en begint met: ‘In slaap gevallen in de tram was ik.’ een beeld gevend van een voorbije tijd, wat herinneringen zijn natuurlijk, maar Noordhoek tracht de tijd te behouden en laat ons een blik werpen op achtergebleven stukken rails in slordig geasfalteerde wegen. ‘Hier reed vroeger een tram, maar nu niet meer.’

Van Sandra Heerma van Voss een persoonlijk essay Van Blaman tot Brookner, schrijven over eenzaamheid. Lees hier over de kunst of kitsch van het werk van Anna Blaman, dat meeblèren met Queens’ ‘Somebody to Love’ net zo lekker kan voelen als het werk van Blaman lezen. En over meer gedesillusioneerde en boze vrouwelijke auteurs als Jean Rhys (1890-1979) en Dorothy Parker (1893-1967). Dit zijn wat je noemt handreikingen uit de belezenheid van anderen.

Nog eentje dan. Een essay van Poetry International programmeur Jan Baeke. Over de poëzie in de wereld. Waarin hij zich onder andere afvraag of er iets in de poëzie is veranderd. In tijden van internet en sociale media. En waarin hij ingaat op de poëzietraditie in China, die ervoor zorgt dat poëzie van eeuwen geleden nog altijd als referentiekader geldt. Voor de gretige liefhebbers die er hun blik op poëzieland mee kunnen vernieuwen.

Meer mooie verhalen van onder andere Gilles van der Loo, Erik Lindner (en gedichten), Bart Koubaa, (beginnend talent) Jori Stam, Jerry Hormone (werkt aan zijn debuut), Jan van Mersbergenn en gedichten van Ider de la Parra, Ruth Lasters en Kees ’t Hart.

Een teveel aan informatie mag er wel van de kleine recensies gezegd worden die onder elke bijdrage over het werk van de auteur en/of het gepubliceerde stuk staan. Sommige literaire tijdschriften geven zeer summier of zelfs geen informatie over hun auteurs en hun werk. De werkbiografietjes in De Revisor zetten een stempel waar je zelf zou willen oordelen. Maar goed, een kniesoor. Opmerkelijk is dat het stuk voor stuk mooie bijdragen zijn die je allemaal wilt lezen. En sommigen wilt herlezen. En nog eens.

 

 

 

Drie literaire tijdschriften van deze zomer

Een Glossy, Tirade en Raymond Brulez in De Parelduiker

Door Ingrid van der Graaf

De zomer vloog voorbij maar het is nooit te laat een literair tijdschrift te bespreken.
Kluger Hans stelde zich bij het maken van een zomereditie voor een literair portret samen te stellen van ‘de mens’. Het werd een zogeheten glossy, met op de goudkleurige cover een detail van een afbeelding van Dior, alles op glanspapier gedrukt, compleet met recepten voor bijvoorbeeld komkommersoep. Kluger Hans als een ‘livestyle’. Met mooie verhalen van onder andere Naomi Rebekka Boekwijt (Juli) en debutant Daniel Op de Beeck met Tris, waarin de overgave van een jongen aan de gebruiken van een geloofsgemeenschap eerst tot een obsessie leidt en later tot de dood. Opvallend en interessant door de wendingen in het verhaal.
Dave Reggers schreef in dialect (en zonder hoofdletters) het verhaal Que sera sera. Op een babbeltoontje, alsof het een onderonsje geldt wat de vertelling dichtbij de lezer brengt. ‘tweejentagetig. et nummer drukt op mijn wervels als ik mij buk (…) kzienet in mijn vingers die et dekbed gladstrijken.’
En hier één van de vier recepten van Idris Sevenans, Deze is voor een salade.

Was in een vergiet
Droog keukenpapier in
                   zeer dunne schijfjes
sla uit elkaar
Los zout in witte wijn en
Wacht met mengen tot
geroosterd vlees calorie-arm wordt

Illustraties, Vogue paintings van Egon van Herreweghe. Bestaande reclamefoto’s werden gedeeltelijk of helemaal met grove kwast overschilderd. Het effect is verrassend en lijkt een protest tegen de reclamewereld. De gedachte achter een glossy is te verleiden, iets te willen waarvan je niet wist dat je het wilde. Deze Kluger Hans spreekt de taal van de verbeelding en van verschillende schrijvers wil je meer lezen, al wist je dat niet.

 

Tirade#459
9200000045707640Sinds de oudere garde van de redactie in 2013 plaats maakte voor een beduidend jongere redactie, wat tot mooie en sprankelende edities heeft geleid, blijft het een soort stoelendans. Simone Saarloos nam al even plaats maar verdween vrijwel gelijk weer. Lieke Marsman verliet, na wel haar stem te hebben laten horen, al eerder de redactie om zich aan haar studie en nieuw werk te kunnen wijden. In dit juni nummer maakt Martijn Knol, die ook niet ongehoord bleef, plaats voor Wytske Versteeg. Ook Knol gaat fulltime schrijven. Dat het tijdschrift niet onder deze snelle wisselingen te lijden heeft, is te danken aan de stevige roots die zijn voedingsbodem vond in het literair etablissement van de jaren vijftig. Tirade heeft zich ontwikkeld tot een blad dat niet meer weg te denken is. In deze editie weer mooie bijdragen, onder meer enkele prozagedichten van Derek Walcott (1930) in vertaling door Astrid Staartjes.
‘Ik verliet het metrostation en er stonden mensen / stokstil op de trap, alsof ze iets wisten / wat ik niet wist. Dit was ten tijde van de Koude Oorlog, / en nucleaire rampen. De hele straat was uitgestorven,’
Henk van Straten als De Ambassadeur over de melancholie in het werk van schrijver James Salter (1925-2015), hij zucht bij geen enkel boek zoveel als bij een boek van Salter. Een even ontroerend als oprecht essay van Wytske Versteeg over kwetsbaarheid dat je niet in de koude kleren gaat zitten. Verhalen van Vamba Sherif, Gerda Blees (concentrisch verhaal) en van Marijn Sikken Roosje. Een zuiver ‘coming of age’ verhaal waarin haast elke zin zoveel meer vertelt dan er staat. Een verhaal van de gevestigde Spaanse auteur Hipólito G. Navarro, (vertaling Melani Reumers). Debutanten zijn Christiaan Ronda, Derko Laan en Mira Aluç. Christien Brinkgreve laat haar licht schijnen op Babyboomboek van Ronald Havenaar. De rubriek waarin een auteur even helemaal los mag gaan, De tirade van…, was voor Asis Aynan, die de politieke correctheid van de acteur Nasrdin Dchar betwijfelt. Een heerlijk tirade.

 

De Parelduiker#2015/3
Parelduiker 3-15 omslag_Opmaak 1Raymond Brulez (1895-1972) zocht voor zijn debuutroman André Terval (1930) meer dan tien jaar naar een uitgever die het waagde hem uit te geven. Zijn boek werd namelijk niet Vlaams- katholiekgezind genoeg bevonden. Er speelde nogal wat tussen de schrijvers  van het interbellum. Fatsoens- en huwelijksmoraal mochten niet geschonden worden en dat was nu precies waar Brulez zich aan bezondigd had volgens de toonaangevende Vlaamse auteurs uit die tijd, Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Maurice Roelants. Joris Van Parys schreef een biografie van Brulez die deze maand onder de titel Gelukkig en vol droefenis. De werelden van Raymond Brulez zal verschijnen bij uitgeverij Houtekiet. Zijn bijdrage in De Parelduiker gaat over de aard van het contact tussen de Hollandse Forum-schrijvers Ter Braak, Du Perron, en de Vlaamse vrijdenker Brulez. Geïllustreerd met mooie afbeeldingen van enkele boekomslagen, een brief van Greshoff aan Brulez vanuit Italië, krantenartikelen en enkele sfeerfoto’s uit zijn huwelijkstijd.
Bart Slijper werkt aan een groepsportret van de Tachtigers. Zijn stuk In gemeenschap van Goederen gaat over de loyaliteit en financiële steun die de Tachtigers elkaar boden. Daar moet je dan weer De Parelduiker voor lezen om te weten te komen dat het rond 1890 in de Amsterdamse Avant-gardistische kringen aan de orde van de dag was elkaar om geld te vragen of juist ruimhartig weg te geven. Een mooi bewijs van vriendschap en solidariteit. Met foto’s van de Tachtigers gemaakt door de toenmalige fotograaf Willem Witzen.
Over de correspondentie die dagboekschrijver Hans Warren (1921-2001) onderhield met soldaat Jan Kakebeeke (Kees in zijn dagboeken) in Nederlands-Indië schreven Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Een kijkje achter de dagboekbladen van Warren.
Van Herman Sandman het derde en laatste deel over Groningse schrijvers Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas. Dit loopt onder meer van de schrijver van het lied In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland, Jan de Rijmer tot de dichter Dries van Wissen. Een uitvoerig (goed) stuk over het literaire leven van heden tot nu. Een Parelduiker waardig.

 

 

 

Wegwijzer in de wereldliteratuur

Eerst was er het tijdschrift Raster (1967) en toen dit in 2008 ter ziele ging, was er drie jaar later Terras. Juist, een anagram van Raster. Maar meer dan alleen een anagram is Terras een voortzetting van dat eens zo befaamde tijdschrift. Ook de redactie van Terras streeft ernaar een podium te zijn voor internationale literatuur en kunst. Aan elke editie werken dan ook veel vertalers mee en wordt er werk van internationale schrijvers gepubliceerd, waar je zonder Terras niet zo snel, buiten hun al vertaalde romans/dichtbundels om, werk van zou tegenkomen. Dat je ze daar dan dankbaar voor bent.

In Door de nacht, het 9e nummer van Terras zijn bijvoorbeeld twee verhalen van de uit Portugese ouders in Angola geboren schrijver José Eduardo Agualusa (1960) opgenomen. Agualusa was in 2013 te gast in Utrecht tijdens City2cities. Een schrijver van magisch realistische literatuur. Agualusa publiceerde meer dan vierendertig titels en werd in vijfentwintig landen vertaald. Vier titels van hem werden in het Nederlands vertaald waaronder de futuristische  roman Labyrint van Luanda, die hij in Amsterdam voltooide met steun van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. De twee verhalen hier gepubliceerd, zijn vertaald door Anne Lopes Michielsen en komen uit de verhalenbundel Fronteiras Perdidas – contos para viajar (1999), Verloren grenzen – verhalen voor op reis. Het is mooi om werk van deze schrijver hier aan te treffen.

Anders dan in het merendeel van de literaire tijdschriften staan er in Terras weinig of geen debuten. Het werk van buitenlandse schrijvers wordt namelijk vergaard uit reeds gepubliceerd werk. De Italiaanse schrijver Fabio Morábito (1955) groeide op in Mexico-stad en schreef al zijn werk in het Spaans. Het verhaal De schikking (vertaling Heleen Oomen) is uit de bundel La vida ordenada (Een geordend leven) uit 2000. Het is één van de verhalen die sterk tot de verbeelding spreken van een schrijver waarover je meer wilt lezen. Je krijgt het gevoel, wat het korte verhaal betreft, buiten de voetsporen van laten we zeggen Raymond Carver te treden, die gek genoeg tot een soort oervader van het korte verhaal is bestempeld. Maar er zijn meer, zeer goede, prachtige en intrigerende verhalen over de grenzen te vinden. Je zou ze willen ontdekken. Gelukkig dat Terras daar de helpende hand bij kan bieden.

Een schrijver, waarvan je gewild had dat je hem al kende, is de Peruaan Julio Ramón Ribeyro (1929 – 1994). De koning van de dakterrassen (vertaling: Jos Kockelkoren) is een fantastisch (mooi) verhaal over een jongen die aan de dwingende ogen van zijn moeder ontsnapt door de dakterrassen van de hele buurt af te struinen en van alles van zijn gading te verzamelen. Op een dag ontmoet hij een oude man in een ligstoel die vanuit een wijsheid, die tot niets verplicht, hem dingen laat ontdekken over zichzelf. Dit gaat goed tot zijn moeder dit ontdekt. Van Ribeyro is alleen zijn eerste boek in het Nederlands verschenen. Verwacht wordt nu natuurlijk dat er meer van zijn verhalen vertaald zullen worden. Vooral ook omdat in 2010 in Spanje een honderdtal van zijn verhalen opnieuw zijn uitgegeven onder de titel La Palabra de Mudo, (vrij vertaald) Het gedempte woord. Laten we in stilte afwachten.

Van de kunstenaar Klaas Kloosterboer (1959) zijn in het midden van het katern op glanzend papier, zes schilderijen afgedrukt. Kijk, en dat maakt Terras zo rijk in beleving. Er is met zorg en aandacht gezocht naar het juiste papier, kleurendruk, lettertype, soepelheid en vorm van het papier. Een fijn tijdschrift. Ga over de grens met Terras en neem gewoon een abonnement.

Voor meer: kijk op www.tijdschriftterras.nl Ook voor een abonnement.

 

 

Les Murray en kaddisj zeggen.

Eregast van literair tijdschrift Liter dit jaar is de Australische dichter Les Murray. Dat houdt de belofte in dat nieuw werk van Murray een primeur zal vinden in de komende edities van Liter van dit jaar. Zijn vertaler, Maarten Elzenga zal hem steeds, (volgens de redactie) daarbij begeleiden. In figuurlijke zin wel te verstaan.

De eerste begeleidende bijdrage van Elzinga gaat over de nieuwste poëzie van Les Murray. En hoe hij sinds 1994, tijdens een vertalers meeting, steeds meer in de ban is geraakt van Murrays poëzie. Interessant is te lezen dat Elzinga altijd opnieuw door angst wordt overvallen wanneer hij zich voorbereidt op het vertalen van een gedicht van Murray. Hierbij maakt hij de vergelijking met de taak die de Griekse koning en stichter van Korinthe, Sisyphos door de onderwereld werd opgelegd. Namelijk: Een steenblok (lees taalbrok), naar de ijle hoogte te duwen waar de brontekst zich bevindt, en hopen dat dat blok weerspannig door de Nederlandse taal, niet helemaal terug rolt naar de voet van de berg. En het vertalen opnieuw kan beginnen. Voor de vertalingen die in dit nummer zijn opgenomen vroeg Elzinga dan ook vertaler Dorien de Vries te hulp. Deze samenwerking verliep zo goed dat volgens Elzinga niet meer met zekerheid te zeggen is wie voor welke ingeving/vertaling verantwoordelijk is. Een mooi bijdrage over hoe (poëzie) vertalers werken.

Liter gelooft in mooie literatuur’ is het credo van dit christelijk literaire tijdschrift. Geloven in deze tijd kent vele aspecten waarbij een godsbeeld steeds meer wordt losgelaten. Het ultieme doel van nu is zich niet meer een weg te bereiden naar de hemel maar het aardse leven te behouden. Geloven in duurzaamheid. Lodewijk Dros, die regelmatig over dit thema essays publiceert, verwoordde dat eens als volgt: ‘(…) leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. (…) verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen. ‘ Wat hier ontbreekt is het verleden, van waar we komen. Het duurzame heden is de schakel tussen toekomst en verleden.

Over de holocaust en de oorlog is al veel gezegd en geschreven. Maar niet eerder kwamen gedichten zo direct binnen, als de gedichtenserie Kaddisj van Jane Leusink. Heden en verleden met een wenk naar de toekomst waarin god nog wordt aangezegd. De serie van dertien gedichten wordt voorafgegaan door een zwart/wit foto waarop een man en een vrouw op een strand. De man in pak met in één hand een paar handschoenen. Hij kijkt alsof hij erg zijn best doet er goed ‘op’ te komen. Naast hem een vrouw, zittend in de omlijstende boog van zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Ze draagt een hoedje en kijkt wat ongelukkig, niet op haar gemak. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de dichter en na enig zoeken blijkt het uit het familie archief te komen van haar inmiddels overleden echtgenoot. Ook heeft ze bestaande teksten gebruikt zoals te begrijpen valt uit het 4e gedicht Een zoon is geboren. In cursief staat erboven “Wat zich verstopt hield / in mijn kogelronde buik aan botjes, spiertjes / in een kleine romp, ik kijk en kijk tot het klopt.” Waarna het gedicht vragend begint: ‘Ben jij het Gudes die dit zegt? Je stuurt een foto / als een hart. Uit de  kinderwagen (kap neer voor beter zicht) / kijkt je baby blakend toe, oogjes onder wenkbrauwboogjes // (…) Een kleine prins, meteen al in licht gegoten. Achterop / haast sprakeloos van ongeloof in Jiddisch, Duits en Nederlands tegelijk / dit is een foto van mijn lieve zoon en dat je die stuurt / als herinnering aan hem.’
Waarbij  in de laatste regel de vraag oprijst of de ontvanger van de foto Eljie was, de man met wie ze trouwde, weer van scheidde en daar tussen in een kind met hem kreeg. Duidelijk is dat een leven in poëzie gegoten, evengoed een standbeeld is voor de nabestaanden.

Nog even de jonge dichter Maarten Buser (1991) onder de aandacht. Vertegenwoordigd met drie gedichten waarin alles draait om de protagonist Claude en de ik persoon. De twee- of drieregelige strofen, waarin Buser zijn gedichten schrijft, geven op zich al genoeg beeld geven om mee voort te kunnen. Sinds iemand hem bezwoer dat ‘je niet kunt vereren / wat je niet kunt wiegen’, wil Claude // houtsnijder zijn. / nu praat hij over ‘een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken. (Uit: Naar de natuur).

Genieten van zijn taalgebruik met regels als, ‘Tussen ons ontspon zich een stilte’, en ‘Ik zou nu graag voor hem bidden maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af’. De laatste regels zijn van het gedicht Kalmerend groen dat begint met: ‘Ik heb een beetje zeep in mijn pyjamamouw / geknoeid. (…).’ Ondanks de vreemde voorstellingen in de gedichten schrijft Buser duidelijke taal.

Meer bijdragen van onder meer Daniel Rovers, C.S. Lewis, Els Meeuwse, Marianne van Reenen, Arthur Schnitzler, Jan Sonneveld en Nels Fahner.

Lees meer (en een eigen exemplaar van Liter bestellen) via deze link: www.leesliter.nl

 

 

Gedichten van een rijkgevulde dis

Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

Het Liegend Konijn

Redactie: Jozef Deleu
jaargang 13, nr. 1, april 2014
Losse nummers: € 25,-
Abonnement 2 nummers, € 45,-
Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
Van Gennep /Amsterdam